Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ3222

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2006
Datum publicatie
29-11-2006
Zaaknummer
200601427/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een bouwvergunning verleend voor het vergroten van de ligboxenstal op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Ooststellingwerf (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2007, 33 met annotatie van A.G.A. Nijmeijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601427/1.

Datum uitspraak: 29 november 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/44 van de rechtbank Leeuwarden van 11 januari 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Ooststellingwerf (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een bouwvergunning verleend voor het vergroten van de ligboxenstal op het perceel [locatie] te [plaats], gemeente Ooststellingwerf (hierna: het perceel).

Bij besluit van 9 december 2004 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 januari 2006, verzonden op 13 januari 2006, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 20 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 februari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 24 april 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Vergunninghouder is op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2006, waar appellanten in persoon en het college, vertegenwoordigd door W. Coenrady, J.H. Woudstra en Y. Winters, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    De rechtbank heeft overwogen dat het college op grond van artikel 46, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 46, vierde lid, van de Woningwet ten tijde van het primaire besluit van 26 augustus 2004 niet meer bevoegd was op de door het college op 16 april 2003 ontvangen aanvraag om bouwvergunning te beslissen, omdat de bouwvergunning op dat moment van rechtswege was verleend. De rechtbank is ervan uitgegaan dat de door appellanten tegen het besluit van 26 augustus 2004 ingediende bezwaren waren gericht tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning.

2.2.    Vergunninghouder exploiteert op het perceel een melkrundveehouderij die twee stallen omvat. Het bouwplan voorziet in het wijzigen van de indeling van de stallen en het vergroten van de mestopslagcapaciteit door het overkappen van het gedeelte tussen de oude en de nieuwe stal.

2.3.    Het hoger beroep beperkt zich tot de vraag of het college de beslissing omtrent de aanvraag om bouwvergunning in verband met het bepaalde in artikel 52, eerste lid, van de Woningwet terecht niet heeft aangehouden. Volgens appellanten heeft de rechtbank deze vraag ten onrechte positief beantwoord. Appellanten voeren in dit verband aan dat aan de melding van vergunninghouder die op 26 augustus 2004 door het college is ontvangen geen betekenis kan toekomen, omdat de onderliggende vergunning van 26 juni 2002 is komen te vervallen.

2.4.    Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de Woningwet, voor zover thans van belang, houden burgemeester en wethouders, in afwijking van artikel 46, eerste lid, de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aan, indien er geen grond is de bouwvergunning te weigeren en het bouwen tevens is aan te merken als het oprichten of veranderen van een inrichting waarvoor een vergunning krachtens artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is vereist.

   Ingevolge artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer is het verboden zonder daartoe verleende vergunning een inrichting te veranderen of de werking daarvan te veranderen.

   Ingevolge artikel 8.1, derde lid, van de Wet milieubeheer geldt dit verbod niet voor veranderingen van de inrichting of de werking daarvan die in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften.

   Ingevolge artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer geldt een voor een inrichting verleende vergunning tevens voor veranderingen van de inrichting of van de werking daarvan die niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende vergunning of de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, maar die niet leiden tot andere of grotere nadelige gevolgen voor het milieu dan die inrichting ingevolge de vergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften mag veroorzaken, onder de voorwaarde dat:

a. deze veranderingen niet leiden tot een andere inrichting dan waarvoor vergunning is verleend;

b. het voornemen tot het uitvoeren van de verandering door de vergunninghouder schriftelijk overeenkomstig de krachtens het zevende lid, onder a, gestelde regels aan het bevoegd gezag is gemeld, en

c. het bevoegd gezag aan de vergunninghouder schriftelijk heeft verklaard dat de voorgenomen verandering voldoet aan de aanhef en onder a en de verandering naar zijn oordeel geen aanleiding geeft tot toepassing van de artikelen 8.22, 8.23 of 8.25.

2.5.     Ten aanzien van het betoog van appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat het college de aanvraag om bouwvergunning ten onrechte niet heeft aangehouden, overweegt de Afdeling als volgt.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 5 juli 2006 in zaak no. 200508093/1 geldt de in artikel 52 van de Woningwet neergelegde aanhoudingsplicht indien voor de met het bouwen samenhangende verandering van de bestaande inrichting een nieuwe vergunning krachtens de Wet milieubeheer vereist is. De aanhoudingsplicht geldt niet indien ten aanzien van de verandering toepassing is gegeven aan artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer.

   Vast staat dat de wijzigingen in de inrichting die het direct gevolg zijn van het bouwplan niet in overeenstemming zijn met de voor de inrichting verleende milieuvergunning en de daaraan verbonden beperkingen en voorschriften, zodat artikel 8.1, derde lid, van de Wet milieubeheer niet van toepassing is.

   Ten aanzien van de door appellanten aan het college gedane melding overweegt de Afdeling dat deze betrekking heeft op het wijzigen van de indeling van de stallen en het vergroten van de mestopslagcapaciteit door het overkappen van het gedeelte tussen de oude en de nieuwe stal. De Afdeling verstaat deze melding aldus dat hierin mede is begrepen een wijziging van de maatvoering van de stallen, die overeenkomt met de maatvoering die in de aanvraag om bouwvergunning is weergegeven. Ten tijde van de beslissing over de aanvraag om bouwvergunning was de hiervoor bedoelde melding gedaan, maar het college had toen nog geen verklaring als bedoeld in artikel 8.19, tweede lid, onder c, van de Wet milieubeheer afgegeven. Die verklaring heeft het college bij besluit van 22 september 2004 afgegeven. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 19 oktober 2005 in zaak no. 200500785/1 hebben appellanten tegen de bij dat besluit gegeven verklaring tot acceptatie van de melding geen bezwaar gemaakt, zodat dat besluit onherroepelijk is geworden. De vraag of de melding al dan niet terecht is geaccepteerd kan in onderhavige procedure dan ook niet aan de orde komen.

   Op grond van het vorenstaande moet worden geoordeeld dat ten tijde van de beslissing over de aanvraag om bouwvergunning niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zodat op dat moment voor het veranderen van de inrichting een vergunning krachtens artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer was vereist. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Dit behoeft echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak te leiden, nu de rechtbank, zij het op onjuiste gronden, het beroep van appellanten terecht ongegrond heeft verklaard. Aangezien het college de bedoelde verklaring bij besluit van 22 september 2004 heeft afgegeven, gold ten tijde van de beslissing op bezwaar niet meer de verplichting de aanvraag aan te houden, omdat toen wel aan de voorwaarden van artikel 8.19, tweede lid, van de Wet milieubeheer was voldaan. Voor vernietiging van de beslissing op bezwaar bestaat daarom geen grond.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2006

218-531.