Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ3206

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
29-11-2006
Datum publicatie
29-11-2006
Zaaknummer
200602331/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 januari 2005 heeft de Waarderingskamer de berekening van de kosten van de waardering die appellant in de jaren 1999 tot en met 2002 in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) redelijkerwijs heeft moeten maken geaccordeerd voor een bedrag van € 1.748.538,58.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602331/1.

Datum uitspraak: 29 november 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hellevoetsluis,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. WOZ 05/2917 van de rechtbank Rotterdam van 22 februari 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Waarderingskamer.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2005 heeft de Waarderingskamer de berekening van de kosten van de waardering die appellant in de jaren 1999 tot en met 2002 in het kader van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) redelijkerwijs heeft moeten maken geaccordeerd voor een bedrag van € 1.748.538,58.

Bij besluit van 16 juni 2005 heeft de Waarderingskamer het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 februari 2006, verzonden op 23 februari 2006, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State per fax ingekomen op 27 maart 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 april 2006. Die brief is aangehecht.

Bij brief van 29 mei 2006 heeft de Waarderingskamer van antwoord gediend.

Bij brief van 12 september 2006 heeft appellant een nader stuk ingediend. Dit is aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak, samen met zaken nos. 200602332/1 en 200606161/1, ter zitting behandeld op 2 oktober 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. R.H. Wiegeraad, gemachtigde, en mr. A.J. van Griethuysen, beiden werkzaam bij Kafi Advies B.V. te Woerden, en de Waarderingskamer, vertegenwoordigd door mr. E.C. Pietermaat, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wet WOZ geldt deze wet bij de bepaling en de vaststelling van de waarde van in Nederland gelegen onroerende zaken ten behoeve van de heffing van belastingen door het Rijk, de gemeenten en de waterschappen.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover thans van belang, is het college van burgemeester en wethouders belast met de uitvoering van deze wet.

   Ingevolge artikel 2, aanhef en onder c, van de Wet WOZ wordt in deze wet onder afnemers verstaan overheden die gebruik maken van de ingevolge de wet vastgestelde waarden ten behoeve van de heffing van belastingen.

   Ingevolge artikel 3 van de Wet WOZ worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld betreffende de verrekening van de kosten die verbonden zijn aan de uitvoering van de wet.

2.2.    Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit kostenverrekening en gegevensuitwisseling Wet WOZ, zoals dat gold vóór 1 januari 2003 (hierna: het Uitvoeringsbesluit), voor zover thans van belang, komen de kosten van de waardering ten laste van de afnemers.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit worden onder de kosten van de waardering, bedoeld in artikel 2, tweede lid, verstaan de kosten verbonden aan:

1. het opstellen van het bij de Waarderingskamer in te dienen plan van aanpak voor de waardering;

2. het verzamelen van gegevens ten behoeve van de waardebepaling alsmede aan het bijhouden daarvan;

3. het uitvoeren van de waardebepaling;

4. het opmaken en verzenden van de beschikkingen, als bedoeld in de artikelen 22, 25, 26, 27, 28 en 29 van de wet;

5. het behandelen van bezwaar- en beroepschriften tegen de beschikkingen, als bedoeld in de artikelen 22, 25, 26, 27 en 28 van de wet.

   Ingevolge het tweede lid van dit artikel, voor zover thans van belang, komt als bedrag van de kosten van de waardering voor verrekening in aanmerking ƒ 25 per kalenderjaar per object waarover gegevens als bedoeld in artikel 8 moeten worden geleverd.

   Ingevolge artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit komt, indien gedurende het tijdvak van vier achtereenvolgende kalenderjaren (waarderingskostentijdvak) het totaal van de in redelijkheid gemaakte kosten van de waardering meer dan 2,5 percent hoger is dan het totaal van de over het desbetreffende waarderingskostentijdvak in rekening gebrachte bedragen, bedoeld in artikel 4, tweede lid, het verschil tussen het totaal van de in redelijkheid gemaakte waarderingskosten en het totaal van de in rekening gebrachte bedragen ten laste van de afnemers, mits is voldaan aan de volgende voorwaarden:

a. het totaal van de in redelijkheid gemaakte kosten van de waardering wordt berekend volgens het rekenmodel dat Onze Minister na overleg met de Waarderingskamer bij ministeriële regeling vaststelt en

b. deze berekening is geaccordeerd door de Waarderingskamer die beoordeelt of het college van burgemeester en wethouders de kosten van de waardering redelijkerwijs heeft moeten maken.

2.3.    In geschil is uitsluitend de weigering van de Waarderingskamer om de door appellant gehanteerde uurtarieven te accorderen.

2.4.    Bij brief van 23 juni 2003 heeft appellant de Waarderingskamer verzocht een oordeel te geven over de berekening van de kosten van de waardering in de jaren 1999 tot en met 2002.

   Bij besluit van 28 januari 2005 heeft de Waarderingskamer die berekening geaccordeerd voor een bedrag van € 1.748.538,58. Voor zover thans van belang, is de Waarderingskamer van oordeel dat voor de jaren 2000, 2001 en 2002 een bedrag van € 4.825,10 (ƒ 10.633,13), € 11.189,99 (ƒ 24.659,50) respectievelijk € 23.181,05 niet in de berekening mag worden meegenomen. Voor de jaren 2000 en 2001 is door appellant een uurtarief gehanteerd van ƒ 126,96 respectievelijk ƒ 131,09, terwijl dit naar het oordeel van de Waarderingskamer ƒ 120,00 had moeten zijn. Voor het jaar 2002 is een uurtarief van € 65,13 gehanteerd in plaats van € 54,45.

   Bij besluit van 16 juni 2005 heeft de Waarderingskamer het besluit van 28 januari 2005 gehandhaafd. De Waarderingskamer heeft de redelijkheid van het uurloon beoordeeld op basis van een kostenvergelijking tussen gemeenten, waarbij als norm voor het te hanteren uurloon het gemiddelde is genomen van het uurloon dat door 140 gemeenten is opgevoerd, verhoogd met een opslag. Daarbij heeft de Waarderingskamer er op gewezen dat: "de beoordeling van de redelijkheid plaatsvindt tegen de achtergrond dat de gemeente eenzijdig in een autonoom proces de kosten bepaalt en dat partijen (afnemers) daarin voor het wettelijk aandeelpercentage bijdragen. Het totaal van de berekening van de gemeente kan dan niet hoger zijn dan tot een bedrag waarin in redelijkheid de bijdrage van partijen kan worden gevergd. Vanuit dat perspectief is de Waarderingskamer van oordeel dat een normtarief dat is gebaseerd op een objectief gemiddelde van door gemeenten gehanteerde uurlonen en voorzien van een algemene opslag, de redelijkheid beter benadert dan de component uurloon die deel uitmaakt van de ten behoeve van de inrichting van de begroting en de jaarrekening subjectief gekozen kostenstructuur van een individuele gemeente".

2.5.    De rechtbank heeft overwogen, voor zover thans van belang, dat het door de Waarderingskamer gehanteerde maximale uurtarief in het licht van de wijze waarop de hoogte ervan is vastgesteld, haar niet onredelijk voorkomt.

2.6.    Appellant betoogt - samengevat weergegeven - dat de rechtbank aldus heeft miskend dat de door hem gehanteerde uurlonen vaststonden en dat de Waarderingskamer eerst na afloop van het desbetreffende waarderingskostentijdvak de uurtarieven heeft gemaximeerd, waardoor inbreuk is gemaakt op het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens appellant staat het hanteren van een maximaal uurtarief ook op gespannen voet met de beleidsvrijheid die de gemeente toekomt om een eigen financiële huishouding te voeren.

2.6.1.    Uit de tekst van artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit volgt dat de Waarderingskamer een oordeel geeft over het totaal van de kosten van de waardering gemaakt in een tijdvak van vier achtereenvolgende kalenderjaren. Eerst aan het eind van het desbetreffende waarderingskostentijdvak bestaat volledig inzicht in de totale waarderingskosten. Hieruit volgt dat de beoordeling door de Waarderingskamer van de redelijkheid van de in totaal gemaakte waarderingskosten, waarvan de beoordeling van de redelijkheid van de gehanteerde uurtarieven een onderdeel vormt, niet anders dan na afloop van het waarderingskostentijdvak kan plaatsvinden. Geen rechtsregel verplicht de Waarderingskamer om in het onderhavige geval vooraf nadere regels vast te stellen omtrent de hoogte van een redelijk te achten uurtarief. Van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel is dan ook geen sprake.

   Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat appellant niet heeft weersproken dat de Waarderingskamer in de voorlopige oordelen voor de jaren 1999, 2000 en 2001 uitdrukkelijk heeft aangegeven dat het voorlopig karakter van die oordelen verband houdt met het feit dat pas aan het eind van het tijdvak volledig inzicht bestaat in de totale kosten van de waardering en voorts heeft opgemerkt dat het door appellant gehanteerde uurloon, gelet op de vergelijking van kostenniveaus tussen gemeenten, haar niet zonder meer redelijk voorkomt. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat bij appellant het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de door hem gehanteerde uurtarieven als redelijk zouden worden aangemerkt.

2.6.2.    Voorts bestaat geen grond voor het oordeel dat de beleidsvrijheid die de gemeente toekomt om een eigen financiële huishouding te voeren, zover strekt dat alle gehanteerde uurtarieven zonder meer als redelijk moeten worden beschouwd. Artikel 4a van het Uitvoeringsbesluit voorziet in een beoordeling van de redelijkheid van de waarderingskosten door de Waarderingskamer. Die beoordeling moet ook uitgevoerd worden ten aanzien van de uurtarieven. Met name waar het betreft kosten die op derden verhaald worden, valt niet in te zien dat daaraan niet de eis kan worden gesteld dat die binnen redelijke grenzen blijven.

2.6.3.    De Afdeling acht voorts van belang dat appellant, hoewel daartoe reeds in de gelegenheid gesteld bij het voorgenomen besluit van 16 juni 2004, geen nadere onderbouwing heeft gegeven voor de redelijkheid van de overschrijding van het door hem gehanteerde uurtarief. Hetgeen appellant in dit verband bij brief van 12 september 2006 heeft aangevoerd, dient buiten beschouwing te blijven, nu appellant voldoende gelegenheid heeft gehad een en ander in een eerder stadium naar voren te brengen.

2.6.4.    Gelet op het vorenoverwogene bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank heeft miskend dat de Waarderingskamer heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en de beleidsvrijheid die de gemeente toekomt bij het voeren van een financiële huishouding. Het betoog faalt derhalve.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk        w.g. Dallinga

Voorzitter     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 29 november 2006

18-453.