Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ3182

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
22-11-2006
Datum publicatie
29-11-2006
Zaaknummer
200606501/4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden (hierna: het college) het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen, voor zover thans van belang, gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] voor de stalling van autobussen en daarmee verband houdend gebruik van de wasstraat en het afleverpunt voor motorbrandstoffen, tegen gebruik van de wasstraat door derden, alsmede tegen de verkoop van motorbrandstoffen aan derden en gebruik ten behoeve van handelsbedrijven, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200606501/4.

Datum uitspraak: 22 november 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken van [appellant B] en [verzoeker], beide wonend te [woonplaats], om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[appellant A], [appellant B] en [appellant C], wonend respectievelijk gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 06/2782 en 06/2784 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 14 juli 2006 in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Reusel-De Mierden (hierna: het college) het verzoek van [verzoeker] om handhavend op te treden tegen, voor zover thans van belang, gebruik van het perceel [locatie] te [plaats] voor de stalling van autobussen en daarmee verband houdend gebruik van de wasstraat en het afleverpunt voor motorbrandstoffen, tegen gebruik van de wasstraat door derden, alsmede tegen de verkoop van motorbrandstoffen aan derden en gebruik ten behoeve van handelsbedrijven, afgewezen.

Bij besluit van 13 januari 2003 heeft het college het daartegen door

[verzoeker] gemaakte bezwaar, voor zover thans van belang, ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 januari 2004 heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen is overwogen in de uitspraak.

Bij uitspraak van 1 december 2004 in zaak no. 200401908/1 heeft de Afdeling het daartegen door appellanten ingestelde hoger beroep gegrond verklaard en de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, bevestigd.

Bij besluit van 28 april 2005 heeft het college, ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 28 januari 2004, de bezwaren van [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 12 juli 2005, verzonden op 13 juli 2005, heeft de heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen is overwogen in de uitspraak.

Bij besluit van 31 oktober 2005 heeft het college, ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 juli 2005, de bezwaren van [verzoeker] ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2006 heeft de voorzieningenrechter het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college binnen 10 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 10 mei 2006 heeft het college, ter uitvoering van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 maart 2006, de bezwaren van

[verzoeker] opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 juli 2006, verzonden op 25 juli 2006, heeft de voorzieningenrechter het daartegen door [verzoeker] ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaalt dat het college binnen 10 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 31 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 4 september 2006, hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 26 september 2006 heeft het college, gevolg gevend aan de uitspraak van de rechtbank van 14 juli 2006, voor zover thans van belang, het door [verzoeker] ingediende bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 8 augustus 2002 herroepen en aan [appellant B] de aankondiging gedaan dat een handhavingstraject wordt gestart.

Bij brief van 20 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 oktober 2006, heeft [verzoeker] daartegen beroep ingesteld. Bij deze brief heeft hij tevens de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 26 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 27 oktober 2006 heeft [appellant B] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 9 november 2006, waar [verzoeker] in persoon en bijgestaan door ir. A.K.M. van Hoof, [appellant B], vertegenwoordigd door drs. G.B.F. Obers, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. S.M.W. Verouden, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Met zijn verzoek beoogt [appellant B] de gevolgen van een voorgenomen handhavingsbesluit af te wenden. Aangezien echter slechts sprake is van een vooraankondiging tot handhavend optreden, welke vooraankondiging voor [appellant B] nog geen gevolgen heeft, is met het verzoek geen spoedeisend belang gemoeid, dat het treffen van de verzochte voorziening rechtvaardigt.

   Hierbij wordt opgemerkt dat het [appellant B] vrij staat wederom een verzoek om voorlopige voorziening in te dienen, indien het college tot handhaving besluit.

2.2.    Het verzoek van [verzoeker] strekt ertoe het college te gelasten daadwerkelijk te besluiten tot handhavend optreden ter zake van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van het perceel. Naar ter zitting is gebleken en tussen partijen niet in geschil is, zal de gemeenteraad van Reusel-De Mierden op 13 november 2006 beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan "De Kleine Hoeven" waarin deze activiteiten positief zijn bestemd. Van de zijde van het college is ter zitting toegezegd dat binnen twee weken nadien een besluit omtrent handhavend optreden mag worden verwacht. Onder die omstandigheden moet worden geoordeeld dat met het verzoek van [verzoeker] evenmin een spoedeisend belang is gemoeid dat het treffen van een voorlopige voorziening, als door hem is verzocht, rechtvaardigt.

2.3.    De verzoeken dienen te worden afgewezen.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst de verzoeken af.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J. Willems, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens       w.g. Willems

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 22 november 2006

412