Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ2248

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
15-11-2006
Datum publicatie
15-11-2006
Zaaknummer
200600586/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek (hierna: het college) aan appellante vergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van de bouw van een kapschuur op het perceel, plaatselijk bekend [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Monumentenwet 1988
Monumentenwet 1988 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2006/1426
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600586/1.

Datum uitspraak: 15 november 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak nos. 05/4110 en 05/4111 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 13 december 2005 in het geding tussen:

[wederpartijen], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 mei 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hilvarenbeek (hierna: het college) aan appellante vergunning verleend voor het gewijzigd uitvoeren van de bouw van een kapschuur op het perceel, plaatselijk bekend [locatie 1] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 30 augustus 2005 heeft het college het daartegen door [wederpartijen] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 13 december 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door [wederpartijen] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 augustus 2005 vernietigd en het college opgedragen met inachtneming van die uitspraak een nieuw besluit te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 19 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 20 januari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 februari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 20 maart 2006 hebben [wederpartijen] een reactie ingediend.

Bij brief van 22 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 september 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, vergezeld door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Morel, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts zijn [wederpartijen] verschenen, vertegenwoordigd door mr. E.R. Koster, gemachtigde.

Bij brief van 2 oktober 2006 zijn partijen ervan op de hoogte gesteld dat dr. E.M.H. Hirsch Ballin in deze meervoudige kamer wordt vervangen door mr. D.A.C. Slump. Partijen hebben de Afdeling desgevraagd toestemming verleend voor het achterwege laten van een nadere zitting.

2.    Overwegingen

2.1.    De kapschuur is gelegen naast een pand, plaatselijk bekend [locatie 1]-[locatie 2], dat in gebruik is als dubbele woning. Dat pand (hierna: het monument) is door de gemeenteraad van Hilvarenbeek aangewezen als gemeentelijk monument als bedoeld in de Monumentenverordening 1997 van die gemeente (hierna: de Monumentenverordening). Het monument en de kapschuur liggen in het landgoed "De Utrecht". Het monument is onderdeel van een houtvesterijcomplex dat rondom een plein ligt.

2.2.    Appellante betoogt dat de voorzieningenrechter ten onrechte buiten de omvang van het geschil is getreden door te overwegen dat het bouwplan in strijd is met de bestemming "Multifunctioneel bos" die ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied Hilvarenbeek" (hierna: het bestemmingsplan) op het perceel rust. Volgens appellante hebben [wederpartijen] in het beroepschrift uitsluitend aangevoerd dat voor het bouwen van de kapschuur niet de vereiste monumentenvergunning is verleend. Op de voorzieningenrechter rustte evenmin de verplichting om het besluit van 30 augustus 2005 ambtshalve te toetsen aan het bestemmingsplan, aldus appellante.

2.2.1.    De klachten van [wederpartijen] hadden in beroep betrekking op de vrees voor verstoring en ontsiering van het monument door de ligging van de kapschuur naast het monument. In het beroepschrift hebben [wederpartijen] - kort weergegeven - betoogd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor het bouwen van de kapschuur geen vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet), althans de Monumentenverordening is vereist. De voorzieningenrechter heeft in hetgeen [wederpartijen] aldus in beroep hebben aangevoerd, ten onrechte aanleiding gevonden om na te gaan of het bouwplan in overeenstemming is met de bestemming "Multifunctioneel bos" die volgens hem op het perceel rust. Dat zij bij de rechtbank strijd met het bestemmingsplan niet als beroepsgrond naar voren hebben willen brengen wordt voorts ondersteund door het proces-verbaal van de zitting, waaruit blijkt dat zij desgevraagd naar voren hebben gebracht dat hun bezwaren zien op de hoogte en ligging van de kapschuur ten opzichte van het monument en niet zozeer op de strijd met het bestemmingsplan. Voorts kan het betoog ter zitting van de Afdeling, dat zij eerst in hoger beroep kennis hebben genomen van het bestemmingsplan, hun niet baten, reeds gelet op het feit dat zij aldus ter zitting van de rechtbank hebben aangegeven eventuele strijdigheid met het bestemmingsplan niet als beroepsgrond naar voren te willen brengen. De voorzieningenrechter was evenmin gehouden ambtshalve te toetsen of het bouwplan met de bestemming "Multifunctioneel bos" in overeenstemming is. Derhalve is hij in strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht buiten de grenzen van het geschil getreden door te overwegen dat het bouwplan in strijd met die bestemming is. Het betoog van appellante slaagt.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling, in het licht van hetgeen [wederpartijen] in beroep hebben aangevoerd, als volgt.

2.4.    [wederpartijen] betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat voor het bouwen van de kapschuur geen vergunning ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet 1988 (hierna: de Monumentenwet), althans artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenverordening is vereist. Volgens [wederpartijen] leidt de bouw van de kapschuur tot een verstoring van het monument als bedoeld in die bepalingen.

2.4.1.    Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenverordening is het verboden zonder vergunning van het college of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde voorschriften, een beschermd gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

   Ingevolge artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen.

2.4.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 15 maart 2006 in zaak no. 200501647/1, kan uit artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet niet worden afgeleid dat een vergunning als in die bepaling genoemd, ook is vereist in het geval van nieuwbouw van een woning, die uit de aard van de zaak geen beschermd monument is, op de enkele grond dat deze mogelijk afbreuk doet aan de omgeving van een naastgelegen beschermd monument. Dit is niet anders, indien vaststaat dat de omgeving van het beschermde monument een rol heeft gespeeld bij de aanwijzing tot beschermd monument, aldus die uitspraak. Voorts is daarin overwogen dat de wetsgeschiedenis evenmin een aanknopingspunt biedt voor een zodanig ruime uitleg van het begrip "verstoren". Daarbij is verwezen naar de Memorie van Toelichting op de Monumentenwet (Kamerstukken II 1986/87, 19 881, nr. 3, p. 18), waarin is vermeld dat dit begrip ziet op een situatie die zich vooral bij archeologische monumenten kan voordoen.

   De Afdeling ziet geen reden om artikel 9, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenverordening op een andere wijze uit te leggen dan artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet. De bewoordingen van deze artikelen wijken niet in relevante zin van elkaar af. Voorts wordt in aanmerking genomen dat in de toelichting op de Monumentenverordening, onder het kopje "Algemeen", is vermeld dat de bepalingen van de Monumentenwet en de daarin gekozen systematiek een belangrijke basis voor de bepalingen in deze verordening vormen.

   Nu de kapschuur weliswaar naast het monument is voorzien, doch zelf geen beschermd monument is, betekent het vorenstaande dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor het bouwen van de kapschuur een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, aanhef en onder a, van de Monumentenwet noch een vergunning als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de Monumentenverordening is vereist. Daarbij is niet van belang of, naar [wederpartijen] stellen, de kapschuur feitelijk of kadastraal op hetzelfde perceel ligt als het monument. Het betoog faalt.

2.5.    Het beroep van [wederpartijen] is ongegrond. Hetgeen [wederpartijen] voor het overige hebben aangevoerd, behoeft geen bespreking.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.7.    De Afdeling ziet aanleiding te gelasten dat de Secretaris van de Raad van State het door appellante gestorte recht terugstort.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van appellante gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda van 13 december 2005, in zaak no. 05/4111;

III.    verklaart het beroep van [wederpartijen] ongegrond;

IV.    gelast dat de secretaris van de Raad van State aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. D.A.C. Slump, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren    w.g. Huijben

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 15 november 2006

313-444.