Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ1770

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2006
Datum publicatie
08-11-2006
Zaaknummer
200601026/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Graft-De Rijp (hierna: het college) aan appellant een last onder dwangsom opgelegd tot het verwijderen van de gebouwde schuur in zijn geheel, inclusief fundering op het perceel kadastraal bekend gemeente Graft-De Rijp, sectie […] nummer […] (hierna: het perceel). Voorts heeft het college appellant preventief gelast om de materialen waar de schuur van is gebouwd eveneens van het perceel te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601026/1.

Datum uitspraak: 8 november 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak in zaak nos. 05/3011 en 05/3013 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 15 december 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Graft-De Rijp.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Graft-De Rijp (hierna: het college) aan appellant een last onder dwangsom opgelegd tot het verwijderen van de gebouwde schuur in zijn geheel, inclusief fundering op het perceel kadastraal bekend gemeente Graft-De Rijp, sectie […] nummer […] (hierna: het perceel). Voorts heeft het college appellant preventief gelast om de materialen waar de schuur van is gebouwd eveneens van het perceel te verwijderen.

Bij besluit van 22 november 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de last gehandhaafd met dien verstande dat de termijn tot voldoening is gesteld op vier weken na 22 november 2005.

Bij uitspraak van 15 december 2005, verzonden op 28 december 2005, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 september 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. L.C.A.C. Hoogewerf, advocaat te Hoorn, en het college, vertegenwoordigd door M.C. Deinum, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Naar aanleiding van het betoog van appellant dat het college ten aanzien van de materialen ingevolge artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet bevoegd was hem preventief een last onder dwangsom op te leggen, wordt overwogen dat een besluit tot preventief opleggen van een last onder dwangsom slechts kan worden genomen indien sprake is van zodanig gevaar voor overtreding van een concreet voorschrift, dat deze met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zal plaatsvinden. Het college heeft niet gemotiveerd dat zo'n situatie zich voordoet, zodat de beslissing op bezwaar in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Awb ondeugdelijk is gemotiveerd. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

2.2.    Appellant heeft de bestaande schuur op het perceel, waarop het overgangsrecht van het ter plaatse geldende bestemmingsplan van toepassing is gesloopt, omdat deze in verval was en heeft ter vervanging daarvan een nieuwe schuur gebouwd.

   De nieuwe schuur is door appellant gebouwd zonder over de daartoe vereiste bouwvergunning te beschikken. Derhalve is gehandeld in strijd met artikel 40 van de Woningwet, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

2.3.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Niet in geschil is dat de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk gebied" op het perceel rustende bestemming "Natuurgebied met agrarisch medegebruik" de plaatsing van de schuur niet toelaat, nu deze niet is gerealiseerd binnen een bouwstede.

2.5.    Anders dan appellant betoogt is het beleid voor het gebied "Eilandspolder" vastgesteld in de beschrijving in hoofdlijnen behorende bij het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied". De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college onder verwijzing naar dat beleid, dat er op is gericht om het gebied "Eilandspolder", dat is aangewezen als speciale beschermingszone in het kader van de Europese Vogelrichtlijn, zo veel mogelijk open en vrij van bebouwing te houden, aannemelijk heeft gemaakt waarom het geen gebruik wil maken van de in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gegeven vrijstellingsmogelijkheden.

   Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van voormeld beleid behoorde af te wijken. De omstandigheid dat er op dezelfde plek al 200 jaar een schuur stond en dat de nieuwe schuur een kleiner formaat heeft dan de oorspronkelijke schuur kunnen niet worden aangemerkt als zodanige omstandigheden. Er bestaat derhalve geen concreet zicht op legalisering.

   Voorts heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat de omstandigheid dat appellant een financieel belang heeft bij handhaving van de gerealiseerde schuur, zijn dieren niet meer beschikken over adequaat onderdak en de omstandigheid dat de herbouw van de schuur er niet toe heeft geleid dat de feitelijke situatie ter plaatse is gewijzigd, evenmin bijzondere omstandigheden zijn, op grond waarvan het college had moeten afzien van handhaving.

2.6.    Het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen, faalt eveneens. In de omstandigheid dat het college in het geval van de bouw van een landbouwloods aan het Oostdijkje in de Eilandspolder in strijd met het bestemmingsplan en het beleid vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend, hetgeen het als onjuist en onwenselijk heeft erkend, kan op zichzelf onvoldoende grond worden gevonden om in het geval van appellant van handhaving af te zien. Geen grond bestaat voor het oordeel dat van het college moet worden gevergd dat een eenmaal gemaakte fout wordt herhaald. Ook de omstandigheid dat het college in de toekomst medewerking zou willen verlenen aan het bouwen van zogenoemde potstallen betekent niet dat een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel kan worden gedaan, nu die potstallen, anders dan de onderhavige schuur zullen worden gebouwd op een perceel waar een bouwstede op ligt.

2.7.    Het betoog van appellant dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij tot herbouw van de schuur mocht overgaan, is louter een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is op goede gronden tot het oordeel gekomen dat geen sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen, zodat het betoog van appellant faalt.

2.8.    Het betoog van appellant dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat ook de onderliggende fundering van de oude schuur dient te worden verwijderd, slaagt. Het college heeft niet aangegeven op grond waarvan het meent tegen de fundering van de oude schuur, die mogelijk met een bouwvergunning is opgericht, te kunnen optreden. De beslissing op bezwaar is ook in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Awb ondeugdelijk gemotiveerd. De voorzieningenrechter heeft dit niet onderkend.

2.9.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 22 november 2005 van het college voor zover de last de fundering en de materialen waar de schuur van is gebouwd van het perceel te verwijderen is gehandhaafd, gegrond verklaren en dat besluit in zoverre vernietigen. Het college dient in zoverre een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.10.    Voorts bestaat aanleiding het primaire besluit van 15 juli 2005 op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb te schorsen voor zover appellant preventief is gelast om de materialen waar de schuur van is gebouwd van het perceel te verwijderen tot zes weken na verzending van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar.

2.11.    Het op artikel 8:73 van de Awb gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient te worden afgewezen, reeds omdat nadere besluitvorming is vereist en op de uitkomst daarvan niet kan worden vooruitgelopen.

2.12.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar van 15 december 2005 in zaak nos. 05/3011 en 05/3013 voor zover deze betrekking heeft op de fundering en de materialen waar de schuur van is gebouwd;

III.    verklaart het bij de voorzieningenrechter ingestelde beroep gegrond voor zover dit betrekking heeft op de fundering en de materialen waar de schuur van is gebouwd;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Graft-De Rijp van 22 november 2005, kenmerk 20052080 voor zover de last de fundering en de materialen waar de schuur van is gebouwd van het perceel te verwijderen is gehandhaafd;

V.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 15 juli 2005 voor zover appellant preventief is gelast om de materialen waar de schuur van is gebouwd van het perceel te verwijderen tot zes weken na verzending van de nieuw te nemen beslissing op bezwaar;

VI.    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

VII.    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Graft-De Rijp tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.322,60 (zegge: dertienhonderdtweeëntwintig euro en zestig cent), waarvan een gedeelte groot € 1.288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Graft-De Rijp aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX.    gelast dat de gemeente Graft-De Rijp aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers       w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer     ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2006

430