Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ1758

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2006
Datum publicatie
08-11-2006
Zaaknummer
200510317/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Weert (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van het woonhuis op het perceel [locatie] te [woonplaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510317/1.        

Datum uitspraak: 8 november 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/294 van de rechtbank Roermond van 8 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Weert (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van het woonhuis op het perceel [locatie] te [woonplaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 november 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 16 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 19 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 17 februari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De vergunninghouder is met toepassing van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen. Hij heeft te kennen gegeven van deze gelegenheid gebruik te willen maken. Bij brief van 24 maart 2006 heeft hij een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R.G.J. Deuss, advocaat te Weert, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J. Jans, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, bijgestaan door mr. R.T. Kirpestein.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de woning met een carport en een bijgebouw van beide drie meter hoog en een tuinmuur die is voorzien langs de zijkant van het perceel met een hoogte van twee meter. Deze bouwwerken worden opgericht op de zijdelingse perceelgrens.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat aan artikel 2.1, aanhef en onder 2, sub c - dat het bouwen nabij kruispunten regelt - van het bestemmingsplan "Buitengebied" (hierna: het bestemmingsplan) in dit geval geen aanvullende werking toekomt.

2.2.1.    Ingevolge het bestemmingsplan "Molenakker" (hierna: het uitwerkingsplan) rust op het perceel de bestemming "Bebouwingsklasse Woondoeleinden W1". Het betreft een uitwerking van de bestemming "Woongebied 2" in het bestemmingsplan, dat tevens enkele algemene voorschriften in verband met de bestemming kent.

2.2.2.    Ingevolge artikel 11, zesde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, worden uitwerkingsplannen geacht deel uit te maken van het bestemmingsplan. Nu in de considerans en de toelichting op het uitwerkingsplan is vermeld dat de voorschriften van het bestemmingsplan uitdrukkelijk mede van toepassing zijn, bestaat er geen grond voor het oordeel dat de regeling omtrent bouwen nabij kruispunten voor het gehele gebied van het uitwerkingsplan is komen te vervallen. De in het bestemmingsplan in artikel 2.1, aanhef en onder 2, sub c, opgenomen regeling ter zake van bouwen nabij kruispunten is dan ook onverkort van toepassing. Nu het bouwplan met die regeling in strijd is, had het college, gelet op het bepaalde in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, niet zonder meer de bouwvergunning kunnen verlenen. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het betoog van appellant slaagt.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen appellant voor het overige heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 25 januari 2005 van het college alsnog gegrond verklaren en dat besluit vernietigen.

2.4.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Roermond van 8 november 2005 in zaak no. 05/294;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Weert van 25 januari 2005;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Weert tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.322,80 (zegge: dertienhonderdtweeëntwintig euro en tachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 1.288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Weert aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Weert aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk  w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2006

328-430.