Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ1741

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-11-2006
Datum publicatie
08-11-2006
Zaaknummer
200601577/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 mei 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) geweigerd appellanten een reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het plaatsen van zonnewering (een overkapping) op het perceel [locatie] te Enschede (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601577/1.

Datum uitspraak: 8 november 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/322 van de rechtbank Almelo van 30 januari 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 mei 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) geweigerd appellanten een reguliere bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het plaatsen van zonnewering (een overkapping) op het perceel [locatie] te Enschede (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 maart 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 30 januari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Almelo (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 22 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 23 februari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 10 april 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 21 april 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. H.H. van Steijn, advocaat te Deventer, en het college, vertegenwoordigd door mr. W.D. Piek, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in het plaatsen van zonnewering (een overkapping) op het perceel.

2.2.    Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet moet de reguliere bouwvergunning worden geweigerd indien het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.

   Ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, wordt een aanvraag om bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na vrijstelling als bedoeld in de artikelen 15, 17 en 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening geacht mede een verzoek om zodanige vrijstelling in te houden.

   Ingevolge artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet, voor zover hier van belang, moet een bouwvergunning eerste fase worden geweigerd indien de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet van toepassing is.

   Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1996" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied met landschappelijke waarden". Op verzoek van appellanten heeft het college op 19 augustus 2003 krachtens artikel 53 van de planvoorschriften het wijzigingsplan "Buitengebied 1996, wijziging 1" vastgesteld, waarbij op de plankaart het agrarisch bouwperceel ter plaatse is verwijderd, de aanduiding "Ruitersport toegestaan" van het perceel is afgehaald en aan de te herbouwen bedrijfswoning de gastbestemming "Woning" is toegekend. Bij besluit van 29 oktober 2003 heeft het college van gedeputeerde staten van Overijssel dit wijzigingsplan goedgekeurd.

   Ingevolge artikel 44, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, mag op gronden met deze bestemming één woning aanwezig zijn onder de voorwaarde, voor zover thans van belang, dat de gezamenlijke inhoud van de woning en de al dan niet aangebouwde bijgebouwen ten hoogste 450 m³ mogen bedragen of zoveel meer als die inhoud bedroeg ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de bouwvergunning eerste fase ten onrechte heeft geweigerd. Daartoe voeren zij aan dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3.1.    Dit betoog faalt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de zinsnede: "of zoveel meer als die inhoud bedroeg ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan" uit artikel 44, eerste lid, van de planvoorschriften niet op de op het perceel aanwezige woning met de al dan niet aangebouwde bijgebouwen van toepassing is, omdat deze ten tijde van de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (in 1996) niet aanwezig waren. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college een juiste uitleg heeft gegeven van artikel 44, eerste lid, van de planvoorschriften. Bij realisering van het bouwplan neemt de inhoud van de bestaande bebouwing op het perceel met 267 m³ toe tot 2265 m³. Aangezien de gezamenlijke inhoud van de woning en de al dan niet aangebouwde bijgebouwen ten hoogste 450 m³ mag bedragen, is het bouwplan met de genoemde bepaling in strijd.

2.3.2.    Het betoog van appellanten dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te toetsen of het college terecht geen gebruik heeft gemaakt van zijn vrijstellingsbevoegdheden, leidt niet tot het daarmee beoogde doel.

           Met het oog op het verlenen van de bouwvergunning voor het woonhuis met berging en paardenstal heeft het college de hiervoor vermelde wijziging van het bestemmingsplan vastgesteld. Deze - inmiddels onherroepelijke - bouwvergunning is vervolgens verleend in strijd met het bestemmingsplan. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat het planologisch beleid van de gemeente, zoals dit beleid tot uitdrukking komt in de toelichting op het bestemmingsplan, gericht is op het tegengaan van verdere verstening van het buitengebied, heeft het college in redelijkheid kunnen besluiten voor het bouwplan geen vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Het daarop gerichte betoog faalt dan ook.

2.3.3.    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat het college de bouwvergunning eerste fase terecht op grond van artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet in samenhang met artikel 56a, tweede lid, van de Woningwet heeft geweigerd.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Bijloos    w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2006

218-531.