Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ1722

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2006
Datum publicatie
08-11-2006
Zaaknummer
200607273/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft verweerder aan [vennoot A] een last onder dwangsom opgelegd vanwege de overtreding van voorschrift 1.1.1 uit de bijlage bij het Besluit opslag en transportbedrijven milieubeheer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607273/1.

Datum uitspraak: 30 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoekers] waarvan de vennoten zijn [vennoot A], [vennoot B] en [vennoot C], en anderen allen wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Buren,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2006 heeft verweerder aan [vennoot A] een last onder dwangsom opgelegd vanwege de overtreding van voorschrift 1.1.1 uit de bijlage bij het Besluit opslag en transportbedrijven milieubeheer.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij brief van 4 oktober 2006, bij de Raad van State ingekomen op 5 oktober 2006, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van verzoekers. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 17 oktober 2006, waar van verzoekers [vennoot A] bijgestaan door mr. M.W.J. van der Horst, advocaat te Tiel, en verweerder, vertegenwoordigd door O.D. Zwakman, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Verzoekers voeren aan dat alles in het werk is gesteld om de door transportbewegingen veroorzaakte overschrijdingen van de geluidgrenswaarden te voorkomen. De meeste vrachtwagens worden ’s-avonds niet op het bedrijfsterrein geparkeerd, zodat zij 's- morgens vanaf andere parkeerplaatsen kunnen vertrekken. Transportbewegingen in de nachtperiode zijn, volgens verzoekers, echter niet geheel te voorkomen. Volgens verzoekers worden zij door het besluit van verweerder gedwongen de desbetreffende vrachtwagens op de openbare weg voor de woningen waar de overschrijdingen plaatsvinden te parkeren. Door het vanaf de openbare weg vertrekken van vrachtwagens wordt echter bij de desbetreffende woningen meer geluidhinder veroorzaakt dan dat het geval zou zijn wanneer dezelfde vrachtwagens vanaf de inrichting zouden vertrekken.

   Tevens stellen verzoekers dat zij op aanraden van verweerder een perceel op een ander industrieterrein hebben gekocht waarvan achteraf bleek dat bij verplaatsing van het bedrijf een soortgelijk geluidprobleem zou ontstaan. Ook een mogelijke verplaatsing van de inrit heeft vanwege de onthouding van goedkeuring aan de aanpassing van een meer dan alleen de inrit omvattend bestemmingsplan nog niet tot een oplossing geleid. Een nieuwe wijziging van het bestemmingsplan die alleen ziet op de aanleg van de inrit is inmiddels aangevraagd. Verzoekers willen deze inrit op korte termijn gaan aanleggen en gebruiken en stellen te hopen dat verweerder het gebruik van die inrit zolang de bestemmingsplanprocedure loopt willen gedogen. Verzoekers zijn van mening dat het onder deze omstandigheden niet redelijk is een dwangsom op te leggen.

2.1.1.    Verweerder stelt dat omwonenden geluidhinder ondervinden en dat de overschrijdingen van de piekgeluidgrenswaarden in de avond- en nachtperiode dusdanig zijn dat legalisatie door middel van het opleggen van een nadere eis niet mogelijk is. Tevens stelt hij dat verplaatsing van de inrit weliswaar een oplossing voor de geluidproblematiek zou opleveren, maar dat de verplaatsing vooralsnog niet mogelijk is nu gedeputeerde staten goedkeuring aan de hiervoor noodzakelijke aanpassing van het bestemmingsplan heeft onthouden. Dat inmiddels een nieuwe wijziging van het bestemmingsplan waarin alleen de aanleg van de inrit is opgenomen, is aangevraagd doet hieraan, volgens verweerder, niet af omdat dat niet betekent dat legalisatie in de nabije toekomst valt te verwachten. Verweerder ontkent niet dat een nieuwe inrit een oplossing voor de geluidproblematiek zou opleveren, maar stelt tegelijkertijd het gebruik van een dergelijke inrit in strijd met het bestemmingsplan niet te zullen gedogen.

2.2.    Niet in geschil is dat gehandeld is in strijd met voorschrift 1.1.1 uit de bijlage bij het Besluit opslag en transportbedrijven milieubeheer.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

   De Voorzitter stelt vast dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat omwonenden geluidhinder ondervinden van vrachtwagens die na 19:00 uur binnenkomen of, die voor 7:00 uur vertrekken. Tevens blijkt dat de omwonenden meer geluidhinder kunnen ondervinden wanneer de vrachtwagens vanaf de openbare weg voor hun woningen moeten vertrekken.

   De Voorzitter overweegt verder dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat door het aanleggen en gebruiken van een nieuwe inrit de geluidproblematiek in principe op korte termijn kan worden opgelost. De Voorzitter overweegt verder dat de toestemming aan de aanpassing van het onderhavige bestemmingsplan niet onthouden is vanwege de aanleg van de onderhavige inrit en dat inmiddels een nieuwe wijziging van het bestemmingsplan die alleen op de inrit betrekking heeft in procedure is gebracht.

   Gelet hierop en gelet op de belangen van zowel omwonenden als verzoekers is de Voorzitter van oordeel dat handhavend optreden in verhouding tot de daarmee te dienen belangen zodanig onevenredig is dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat onder deze omstandigheden handhavend diende te worden opgetreden.

2.3.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.4.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 15 augustus 2006, kenmerk V&H/1564/HH-2004-51/10065;

II.    veroordeelt Het college van burgemeester en wethouders van Buren tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 740,62 (zegge: zevenhonderdveertig euro en tweeënzestig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Buren aan verzoekers onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de gemeente Buren aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g. Klap

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2006

315