Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ1720

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-10-2006
Datum publicatie
08-11-2006
Zaaknummer
200605309/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn het bestemmingsplan "De Voorwaarts" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/94

Uitspraak

200605309/2.

Datum uitspraak: 30 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

1.    de naamloze vennootschap "Nieuwe Steen Investments N.V.", gevestigd te Hoorn (Noord-Holland),

2.    [verzoekster sub 2], gevestigd te [plaats],

3.    de vereniging "Binnenstad Ondernemers Apeldoorn", gevestigd te Apeldoorn,

4.    de vereniging "Federatie Apeldoornse Ondernemers", gevestigd te Apeldoorn,

5.    [verzoeker sub 5], wonend te [woonplaats],

6.    de vereniging "Vereniging Centrum Promotie "Oranjerie"", gevestigd te Apeldoorn,

7.    [verzoekers sub 7], beiden wonend te [woonplaats],

8.    [verzoekers sub 8], beiden wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2005 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn het bestemmingsplan "De Voorwaarts" vastgesteld.

Bij besluit van 13 juni 2006, nr. RE2005.42383, heeft verweerder beslist over de goedkeuring van dit plan.

Tegen dit besluit hebben onder meer beroep ingesteld de naamloze vennootschap "Nieuwe Steen Investments N.V." (hierna: NSI) bij brief van 11 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, [verzoekster sub 2] bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2006, de vereniging "Binnenstad Ondernemers Apeldoorn" (hierna: Binnenstad Ondernemers Apeldoorn) bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2006, de vereniging "Federatie Apeldoornse Ondernemers" (hierna: Federatie Apeldoornse Ondernemers) bij brief van 14 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2006, [verzoeker sub 5] bij brief van 17 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2006, de vereniging "Vereniging Centrum Promotie "Oranjerie"" (hierna: Centrum Promotie "Oranjerie") bij brief van 18 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2006, [verzoekers sub 7] bij brief van 21 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, en [verzoekers sub 8] bij brief van 17 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2006.

Bij brief van 11 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen per faxbericht op dezelfde dag, heeft NSI de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2006, heeft [verzoekster sub 2] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 augustus 2006, heeft Binnenstad Ondernemers Apeldoorn de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 15 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 17 augustus 2006, heeft Federatie Apeldoornse Ondernemers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 17 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2006, heeft [verzoeker sub 5] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 18 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 augustus 2006, heeft Centrum Promotie "Oranjerie" de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij dezelfde brief als waarmee beroep is ingesteld hebben [verzoekers sub 7] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 17 augustus 2006, bij de Raad van State ingekomen op 18 augustus 2006, hebben [verzoekers sub 8] de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft de verzoeken ter zitting behandeld op 13 oktober 2006, waar NSI, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Driel, advocaat te Amsterdam, en [directeur], Binnenstad Ondernemers Apeldoorn, Federatie Apeldoornse Ondernemers en Centrum Promotie "Oranjerie", alle vertegenwoordigd door drs. G.J.A. Sluiskes, werkzaam bij MKB-Nederland, [verzoeker sub 5] in persoon, [verzoekers sub 7], beiden vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand, en verweerder, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad van Apeldoorn, vertegenwoordigd door M.G.J. Beimer, ing. G.J.M. Gilissen, H. Veldman, L. de Hoop en ir. A.H. Sluis, allen ambtenaar van de gemeente, daar gehoord. [verzoekster sub 2] en [verzoekers sub 8] zijn niet ter zitting verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

2.3.    Het plan ziet onder meer op de ontwikkeling van een omnisportcentrum, winkels, een bioscoop, woningen en kantoren, op de uitbreiding van een tuincentrum, op de reconstructie van de Zutphensestraat, de Laan van Erica en de Laan van Osseveld en op de aanleg van een transferium ten noorden van de Zutphensestraat in de nabijheid van rijksweg A50. Het plangebied wordt begrensd door de spoorlijn Apeldoorn-Deventer, de Zutphensestraat, de Laan van Erica en de spoorlijn Apeldoorn-Zutphen.

   Bij het bestreden besluit heeft verweerder het plan goedgekeurd.

2.4.    Niet gebleken is dat [verzoekster sub 2] een zienswijze tegen het ontwerp van het bestemmingsplan heeft ingebracht.

   Beroep kan slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten indien omtrent het ontwerpplan tijdig een zienswijze is ingebracht bij de gemeenteraad. Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp of voor zover het besluit van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest een zienswijze in te brengen.

   Nu niet is gesteld of anderszins aannemelijk is gemaakt dat een van voornoemde uitzonderingen zich voordoet, verwacht de Voorzitter dat het beroep van [verzoekster sub 2] in de bodemprocedure niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Haar verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening dient reeds daarom te worden afgewezen.

2.5.    De overige verzoekers voeren aan dat verweerder het plan dan wel onderdelen daarvan om uiteenlopende redenen ten onrechte heeft goedgekeurd en verzoeken (in zoverre) om schorsing van het goedkeuringsbesluit. Zij beogen met hun verzoeken onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan na inwerkingtreding van het plan, te voorkomen.

2.6.    NSI voert allereerst een aantal formele bezwaren aan. Zij is onder meer van mening dat ten onrechte niet alle in de plantoelichting genoemde stukken bij het ontwerpplan ter inzage hebben gelegen. In haar zienswijze heeft zij hiertoe de volgende stukken genoemd: verschillende subsidiebesluiten, het locatieonderzoek, het masterplan, verschillende beleidsnota's, het onderzoek naar de natuurwaarden, de cultuurhistorische beleidsadvieskaart, het onderzoek naar de haalbaarheid van het transferium, de marktverkenning megastorecluster Apeldoorn, de facetnota water en het advies van het waterschap en de externe bijlage inzake de economische uitvoerbaarheid. In het in de voorlopige voorzieningsprocedure ingelaste beroepschrift heeft NSI nog gewezen op het ontbreken van het distributie-planologisch onderzoeksrapport.

2.6.1.    Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing met dien verstande dat in artikel 23 van de WRO enkele aanvullende voorschriften worden gegeven. In artikel 3:11, eerste lid, van de Awb is - voor zover hier van belang - bepaald dat het bestuursorgaan het ontwerp van het ambtshalve te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken, ter inzage legt.

   Blijkens de wetsgeschiedenis is artikel 3:11 van de Awb te zien als een uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht, hetgeen ziet op het uit eigen beweging verstrekken van informatie door een bestuursorgaan. Doel van de terinzagelegging is dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het (ontwerp van het) plan, zodat zij kunnen bezien of zij daartegen willen opkomen.

2.6.2.    Niet in geschil is dat de door NSI genoemde stukken dan wel een aantal daarvan niet tezamen met het ontwerpplan ter inzage hebben gelegen. De Voorzitter acht niet uitgesloten dat de Afdeling in de bodemprocedure zal concluderen dat deze stukken betrekking hebben op het plan en met het ontwerpplan ter inzage hadden moeten worden gelegd en dat door niet aldus te handelen het plan is vastgesteld in strijd met artikel 3:11, eerste lid, van de Awb in samenhang met artikel 23, eerste lid, van de WRO. Dat van een of meer van deze stukken een samenvatting is gemaakt en dat de stukken desgevraagd konden worden verstrekt, zoals de gemeenteraad stelt, kan niet afdoen aan de verplichting de stukken tezamen met het ontwerpplan ter inzage te leggen.

2.7.    Een aantal verzoekers voert aan dat het plan leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit en dat niet is gebleken dat wordt voldaan aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005). Zij stellen dat de geldende normen voor zwevende deeltjes reeds in de huidige situatie worden overschreden. Zij wijzen er verder op dat de uitgangspunten die aan de luchtkwaliteitsonderzoeken ten grondslag liggen, verschillend zijn. Onduidelijk is volgens hen wat als autonome situatie is gezien. Verder is de situatie van de luchtkwaliteit alleen berekend bij bestaande en voorziene woningen en heeft saldering op onjuiste wijze plaatsgevonden, aldus deze verzoekers.

2.7.1.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat wordt voldaan aan het Blk 2005. Hij baseert zich daarvoor op de resultaten van twee uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoeken.

2.7.2.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Blk 2005, voor zover hier van belang, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in dit besluit genoemde grenswaarden voor onder meer stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes (PM10) in acht.

   Ingevolge artikel 7, derde lid, van het Blk 2005 kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien:

a. de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft;

b. bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

2.7.3.    In verband met de verkeersaantrekkende werking van de planontwikkelingen en mogelijke gevolgen daarvan voor de luchtkwaliteit heeft de gemeenteraad onderzoek laten verrichten naar de luchtkwaliteit door KEMA Nederland B.V. en Witteveen+Bos. KEMA Nederland B.V. heeft het rapport "Luchtonderzoek bestemmingsplan De Voorwaarts in Apeldoorn", gedateerd 22 september 2005, uitgebracht. Witteveen+Bos heeft het rapport "Onderzoek luchtkwaliteit De Voorwaarts", gedateerd 30 september 2005, uitgebracht.

   Volgens het rapport van KEMA Nederland B.V. worden de grenswaarden voor de jaargemiddelde concentratie stikstofdioxide, de uurgemiddelde concentratie stikstofdioxide en de jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes niet overschreden. De grenswaarde voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes wordt zowel in de autonome ontwikkeling als in de ontwikkeling van het bestemmingsplan "De Voorwaarts" overschreden. Voor het jaar 2007 treedt ten gevolge van de planontwikkeling een toeneming van het aantal overschrijdingsdagen op. Voor de jaren 2010 en verder verwacht KEMA Nederland B.V. geen verslechtering.

   De toeneming in 2007 is door de gemeenteraad in de zienswijzennota berekend op gemiddeld één dag. Daarbij tekent de gemeenteraad onder meer aan dat in 2007, anders dan KEMA Nederland B.V. als uitgangspunt heeft genomen, nog niet alle ontwikkelingen in het plangebied zullen zijn verwezenlijkt, waardoor geen verhoging van het aantal overschrijdingsdagen te verwachten is.

   Volgens het rapport van Witteveen+Bos treedt voor de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes bij één pand aan de zuidzijde van de Zutphensestraat ten opzichte van de autonome ontwikkeling in 2007 een verhoging van maximaal vier dagen op. Doordat bij ongeveer 100 woningen aan de noordzijde van de Zutphensestraat een verlaging optreedt van vijf tot acht dagen van het aantal overschrijdingsdagen is volgens dit rapport per saldo sprake van een verbetering. Dit geldt volgens dit rapport ook voor de jaren 2010 en 2015. Wat betreft de concentraties voor de andere stoffen verwacht Witteveen+Bos geen relevante overschrijdingen.

2.7.4.    In aanmerking genomen de rapporten van KEMA Nederland B.V. en Witteveen+Bos is de Voorzitter er voorshands niet van overtuigd dat op grondslag van deze beide rapporten kan worden geconcludeerd dat aan het Blk 2005 wordt voldaan. Hij acht nader onderzoek nodig naar de aan de rapporten ten grondslag gelegde uitgangspunten en de verschillen in uitkomsten welke zich met name voordoen bij de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie zwevende deeltjes. Ook zal meer inzicht moeten worden verkregen in de vraag of en op welke wijze voor het verwezenlijken van de planontwikkeling toepassing is gegeven aan artikel 7, derde lid, onder a en b, van het Blk 2005. De voorlopige voorzieningsprocedure leent zich niet voor bedoeld nader onderzoek.

2.8.    In verband met al het voorgaande ziet de Voorzitter, gelet op de onomkeerbare gevolgen die kunnen ontstaan als gevolg van de inwerkingtreding van het plan, aanleiding de verzoeken van de overige verzoekers toe te wijzen en de hierna vermelde voorlopige voorziening te treffen. Daarbij heeft hij het plan als één samenhangende ontwikkeling aangemerkt. De verzoeken behoeven voor het overige geen bespreking meer.

2.9.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van NSI, [verzoekers sub 8], [verzoeker sub 5] en [verzoekers sub 7] te worden veroordeeld. Wat betreft Binnenstad Ondernemers Apeldoorn, Federatie Apeldoornse Ondernemers en Centrum Promotie "Oranjerie" is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft [verzoekster sub 2] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 13 juni 2006, nr. RE2005.42383;

II.    wijst het verzoek van [verzoekster sub 2] af;

III.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij de hierna vermelde verzoekers in verband met de behandeling van hun verzoeken opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.932,00 (zegge: duizend negenhonderdtweeëndertig euro), geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand; dit bedrag dient door de provincie Gelderland onder vermelding van het zaaknummer als volgt te worden betaald aan:

a. NSI € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

b. [verzoeker sub 5] € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro);

c. [verzoekers sub 7] € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

d. [verzoekers sub 8] € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro);

IV.    gelast dat de provincie Gelderland aan de hierna vermelde verzoekers het door hen voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht vergoedt:

a. € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor NSI;

b. € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor Binnenstad Ondernemers Apeldoorn;

c. € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor Federatie Apeldoornse Ondernemers;

d. € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [verzoeker sub 5];

e. € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor Vereniging Centrum Promotie "Oranjerie";

f. € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [verzoekers sub 7];

g. € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor [verzoekers sub 8].

Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Kosto   w.g. Bechinka

Voorzitter   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2006

371