Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ1267

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-11-2006
Datum publicatie
01-11-2006
Zaaknummer
200600854/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) aan G&D Promotions BV (hierna: vergunninghoudster) met vrijstelling van het bestemmingsplan een tijdelijke bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een reclameframe op het perceel plaatselijk bekend Verlengde Hereweg, nabij nummer 125 (hierna: de locatie).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600854/1.

Datum uitspraak: 1 november 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, wonend te Groningen,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1317 van de rechtbank Groningen van 15 december 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) aan G&D Promotions BV (hierna: vergunninghoudster) met vrijstelling van het bestemmingsplan een tijdelijke bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een reclameframe op het perceel plaatselijk bekend Verlengde Hereweg, nabij nummer 125 (hierna: de locatie).

Bij besluit van 6 juli 2004 heeft het college het verzoek van appellanten om handhavend op te treden tegen het reclameframe op de locatie afgewezen.

Bij besluit van 2 november 2004 heeft het college de tegen deze besluiten door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 15 december 2005, verzonden op 20 december 2005, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 30 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brieven van 27 februari 2006 en 28 april 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2006, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. G.J. Bouma, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

   Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk of de standplaats, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a, tenzij burgemeester en wethouders van oordeel zijn dat de bouwvergunning niettemin moet worden verleend.

   Ingevolge artikel 45, eerste lid, aanhef, onder b en slotzin, van de Woningwet wordt in een bouwvergunning voor een bouwwerk, bestemd om in een tijdelijke behoefte, niet zijnde bewoning, te voorzien, een termijn gesteld, na het verstrijken waarvan het bouwwerk niet langer in stand mag worden gehouden.

    Ingevolge artikel 12, eerste lid, van de Woningwet mogen het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk of standplaats, zowel op zichzelf als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel a.

    Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder d is het eerste lid niet van toepassing op bouwwerken als bedoeld in artikel 45, eerste lid.

2.2.    De hierboven bedoelde krachtens artikel 45, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woningwet verleende tijdelijke bouwvergunning heeft een instandhoudingstermijn tot 1 maart 2007.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de beantwoording van de vraag of de bouwvergunning op goede gronden is verleend het welstandsadvies niet van belang is. Daartoe voeren zij aan dat geen bouwvergunning als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Woningwet kon worden verleend, omdat het reclameframe voorziet in een permanente behoefte.

2.3.1.    Voor de toepassing van artikel 45, eerste lid, aanhef, onder b en slotzin van de Woningwet is slechts vereist dat tijdelijk behoefte bestaat aan het bouwwerk waarvoor vergunning is gevraagd. Of van een tijdelijke behoefte sprake is moet worden beoordeeld aan de hand van concrete gegevens.

    Het college heeft de tijdelijke behoefte gebaseerd op de eveneens aan vergunninghoudster krachtens de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Groningen 1994 verleende vergunning voor het plaatsen van reclameobjecten op de locatie tot 1 maart 2007. Uit het primaire besluit blijkt voorts dat het reclameframe wordt verwijderd na het verstrijken van het contract met vergunninghoudster op deze datum. Ter toelichting is namens het college ter zitting aangegeven dat na ommekomst van de gestelde termijn aan de hand van een aanbesteding en een herijking van het reclamebeleid opnieuw zal worden bezien waar en door wie reclameframes in de gemeente mogen worden geplaatst.

    Nu uit voornoemde gegevens genoegzaam blijkt dat door vergunninghoudster alleen bouwvergunning is gevraagd om gebruik te kunnen maken van de tijdelijke APV-vergunning in verband met haar contractuele verplichtingen jegens de gemeente, heeft het college zich met juistheid op het standpunt gesteld dat aan het onderhavige bouwwerk tijdelijk behoefte bestaat als bedoeld in artikel 45, eerste lid, aanhef, onder b en slotzin, van de Woningwet. Gelet op artikel 12, tweede lid, aanhef en onder d, van de Woningwet, gelezen in samenhang met artikel 44, eerste lid, aanhef en onder d, van die wet kon de bouwvergunning dan ook niet worden geweigerd wegens strijd met de redelijke eisen van welstand. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

    Het betoog faalt. De verwijzing in het hoger beroepschrift naar het negatief welstandsoordeel van het college over een reclame-uiting op een andere locatie kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden.

2.4.    Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank met juistheid heeft geoordeeld dat, nu op goede gronden bouwvergunning is verleend, er voor het college geen grond was om ter zake van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet handhavend op te treden. Ten aanzien van het handhavingsverzoek met betrekking tot de APV wordt het volgende overwogen.

2.5.    Appellanten betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de Verlengde Hereweg niet in de aan de APV-vergunning ten grondslag gelegde straatnamenlijst van de Beleidsregels met betrekking tot reclameobjecten als bedoeld in artikel 176l van de APV (hierna: de Beleidsregels) staat vermeld. Aldus is vergunninghoudster volgens appellanten afgeweken van de APV-vergunning.

2.5.1.    Het betoog faalt. De locaties waar reclameobjecten mogen worden geplaatst zijn in een bijlage bij de APV-vergunning opgenomen en komen overeen met de in de Beleidsregels genoemde locaties. Weliswaar wordt in de straatnamenlijst niet de "Verlengde Hereweg" genoemd maar de "Hereweg", doch onder deze straatnamenlijst staat vermeld dat op de bijbehorende kaart de exacte plaatsbepaling van 200 locaties is weergegeven. Op één van de bijlagen bij de APV-vergunning is een foto afgebeeld van de locatie "Hereweg" die de locatie toont. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat de nadere plaatsaanduiding op dit blad "Vanaf Moddermanlaan 2e lichtmast aan de linkerzijde" er geen misverstand over laat bestaan dat de onderhavige locatie is bedoeld. Het vorenstaande leidt ertoe dat niet is afgeweken van de APV-vergunning.

2.6.    Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank, anders dan appellanten betogen, terecht tot de conclusie gekomen dat, nu de plaatsing van het reclamebord ook niet in strijd was met de APV, het college niet bevoegd was handhavend op te treden.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. Ch.W. Mouton en mr. S.F.M. Wortmann, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Boermans

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 1 november 2006

429-499.