Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ1261

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
01-11-2006
Zaaknummer
200607191/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 augustus 2006 heeft verweerder gelast dat overtreding van artikel 8.1 eerste lid, aanhef en onder b van de Wet milieubeheer samen met categorie 13.3, aanhef en onder b van bijlage 1 bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer binnen de inrichting van [verzoeker b] aan de [locatie] te [plaats] achterwege te laten. Bij het na twee maanden na de verzending van het besluit niet voldoen aan deze last wordt een dwangsom van 5000 euro per geconstateerde overtreding met een submaximum van 10.000 euro per maand verbeurd. Het bedrag waarboven geen dwangsom wordt verbeurd heeft verweerder gesteld op 50.000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200607191/1.

Datum uitspraak: 25 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], beide gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2006 heeft verweerder gelast dat overtreding van artikel 8.1 eerste lid, aanhef en onder b van de Wet milieubeheer samen met categorie 13.3, aanhef en onder b van bijlage 1 bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer binnen de inrichting van [verzoeker b] aan de [locatie] te [plaats] achterwege te laten. Bij het na twee maanden na de verzending van het besluit niet voldoen aan deze last wordt een dwangsom van 5000 euro per geconstateerde overtreding met een submaximum van 10.000 euro per maand verbeurd. Het bedrag waarboven geen dwangsom wordt verbeurd heeft verweerder gesteld op 50.000 euro.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt.

Bij brief van 29 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2006, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 16 oktober 2006, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. A.A. Marcus, advocaat te Capelle aan den IJssel, en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.F.C. Kisters en [gemachtigde], zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer in verband met artikel 3 van het het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer en bijlage 1, categorie 13 onder 3 is het college van gedeputeerde staten het bevoegd gezag voor het verlenen van een vergunning voor het bouwen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van metalen schepen met een langs de waterlijn te meten lengte van 25 meter of meer.

   Ingevolge artikel 18.2, eerste lid, van de Wet milieubeheer heeft, voor zover hier van belang, het bestuursorgaan dat bevoegd is vergunning voor een inrichting te verlenen tot taak zorg te dragen voor bestuursrechtelijke handhaving van de wettelijke voorschriften die gelden voor de drijver van de inrichting.

2.2.    Verweerder stelt in het bestreden besluit vast, voor zover hier van belang, dat is geconstateerd dat in de inrichting werkzaamheden worden verricht aan metalen schepen met een langs de waterlijn gemeten lengte van meer dan 25 meter. Het betreft werkzaamheden als het slijpen van lassen van pijpleidingen, bestemd voor het transport van lading, en het behandelen van de buitenzijde van het schip met een coating. Voorts heeft verweerder op grond van een aantal opgevraagde orders geconcludeerd dat aan metalen schepen langer dan 25 meter werkzaamheden zijn verricht onder andere bestaand uit het verwijderen van kleine metalen hulponderdelen, het incidenteel plaatsen van stuurhutten en het aflakken van schepen. Volgens verweerder zijn dit werkzaamheden als bedoeld in het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer, bijlage 1, categorie 13.3. Nu verweerder voor dergelijke werkzaamheden geen vergunning heeft verleend, is volgens hem sprake van overtreding van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer.

2.3.    Voor zover verzoekers betogen dat geconstateerde werkzaamheden door derden zijn uitgevoerd, overweegt de Voorzitter als volgt. De werkzaamheden zijn blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting uitgevoerd op een gepachte ligplaats die uitsluitend ter beschikking staat aan de inrichting en die naar het oordeel van de Voorzitter moet worden aangemerkt als onderdeel van de inrichting. De drijver van de inrichting is verantwoordelijk voor naleving van de voor de inrichting geldende wettelijke regels, waaronder artikel 8.1 van de Wet milieubeheer, óók als derden binnen de inrichting werkzaamheden uitvoeren. Hij kan daarom als overtreder worden aangemerkt.

2.4.    Voor zover verzoekers betwisten dat verweerder bevoegd is tot handhavend optreden overweegt de Voorzitter als volgt. In ieder geval een deel van de geconstateerde activiteiten kan worden aangemerkt als het zonder daarvoor krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning bouwen, onderhouden of repareren van metalen schepen langer dan 25 meter, of het behandelen van de oppervlakte daarvan. De Voorzitter gaat er dan ook van uit dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat artikel 8.1 van de Wet milieubeheer is overtreden. Verweerder is het bevoegd gezag om ten aanzien van dergelijke overtredingen bestuurlijke handhavingmiddelen toe te passen.

2.5.    Verzoekers betogen verder dat het besluit niet voldoet aan de uit het oogpunt van rechtszekerheid te stellen eisen. In dit betoog ziet de Voorzitter aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening, en overweegt daartoe als volgt.

   Gelet op de zeer algemeen gestelde bewoordingen van de last, te weten het nalaten van alle niet vergunde handelingen op schepen van meer dan 25 meter lengte, en gelet op de omstandigheid dat - zoals ook bij de behandeling van het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening is gebleken - onvoldoende duidelijkheid bestaat over het onderscheid tussen niet vergunde handelingen en handelingen die mogelijk op grond van de door het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht voor de inrichting verleende vergunning zijn toegestaan, acht de Voorzitter onvoldoende duidelijk omschreven welke handelingen nagelaten dienen te worden. Ook is het ten gevolge van de ruime omschrijving onmogelijk om te beoordelen of het vastgestelde bedrag in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het door een overtreding  geschonden belang. Het besluit voldoet daarom niet aan de eisen van rechtszekerheid en aan het vereiste van artikel 5:32 vijfde lid, laatste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.6.    Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 18 augustus 2006, kenmerk DGWM/2006/11082;

II.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 660,00 (zegge: zeshonderdzestig euro), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de provincie Zuid-Holland aan verzoekers onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

III.    gelast dat de provincie Zuid-Holland aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van der Zijpp, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van der Zijpp

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006

262-539.