Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ1259

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
01-11-2006
Zaaknummer
200604686/1 en 200604686/2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) aan de GG&GD Utrecht bouwvergunning verleend voor het bouwen van een fietsenstalling en toegangshek bij een hostel op het perceel Wittevrouwensingel 88 te Utrecht, kadastraal bekend gemeente Abstede, sectie B, nummer(s) 06700.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200604686/1 en 200604686/2.

Datum uitspraak: 25 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

de Stichting het Utrechts Monumentenfonds, gevestigd te Utrecht,

appellante,

tegen de uitspraak in de zaken nos. SBR 06/1741 en SBR 06/1742 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht van 24 mei 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (hierna: het college) aan de GG&GD Utrecht bouwvergunning verleend voor het bouwen van een fietsenstalling en toegangshek bij een hostel op het perceel Wittevrouwensingel 88 te Utrecht, kadastraal bekend gemeente Abstede, sectie B, nummer(s) 06700.

Bij besluit van 9 maart 2006 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 mei 2006, verzonden op 31 mei 2006, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 25 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 26 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 september 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, heeft appellant de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 22 augustus 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Utrecht van antwoord gediend.

De Voorzitter heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 oktober 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. N. Oosterwegel, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2.    Het bouwplan ziet op het oprichten van een fietsenstalling en een toegangshek bij een hostel dat wordt beheerd door de GG&GD. Het betoog van appellante is beperkt tot de bouw van de fietsenstalling.

2.3.    Appellante betoogt tevergeefs dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het college het positieve, maar, behoudens de vermelding van het beleidsniveau "open", niet nader gemotiveerde advies van de Commissie Welstand & Monumenten van de gemeente Utrecht van 29 november 2005 aan zijn besluit de bouwvergunning te verlenen ten grondslag heeft kunnen leggen.

   Anders dan appellante meent kan uit de in de Welstandsnota opgenomen sneltoetscriteria niet worden afgeleid dat het gebruik van golfplaten voor het dak van de fietsenstalling niet is toegestaan, zodat niet kan worden staande gehouden dat het welstandsadvies op dat punt in strijd is met de Welstandsnota. Het betoog van appellante is verder gericht tegen het oprichten van de fietsenstalling ter plaatse. In dit verband heeft de voorzieningenrechter terecht geoordeeld dat de welstandstoets zich dient te voegen naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt en niet mag leiden tot een belemmering van de verwezenlijking van die mogelijkheden, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen bijvoorbeeld in de uitspraak van 21 april 2004 in zaak no. 200306789/1. Nu niet in geschil is dat het bestemmingsplan ter plaatse een fietsenstalling toelaat en het bezwaarschrift van appellante en de brief van 28 april 2005, waar appellante in haar bezwaarschrift naar heeft verwezen, geen specifieke bezwaren ten aanzien van de welstand bevat, is de Afdeling met de voorzieningenrechter van oordeel dat het college niet gehouden was om zijn oordeel over de welstand bij het besluit van 9 maart 2006 van een nadere motivering te voorzien.

2.4.    Uit het dwingend bepaalde in artikel 44, eerste lid, van de Woningwet volgt dat een reguliere bouwvergunning dient te worden geweigerd indien zich een of meer van de in dat artikel omschreven weigeringsgronden voordoen, doch dat de vergunning moet worden verleend indien zulk een weigeringsgrond ontbreekt. Daarbij wordt aan onderzoek en afweging van de bij de bouwvergunning betrokken belangen niet toegekomen. Nu geen van de bedoelde weigeringsgronden zich voordoet, faalt reeds daarom het betoog van appellante dat het besluit van het college van 9 maart 2006 in verband met de betoogde mogelijkheid van een alternatieve locatie voor de fietsenstalling geen blijk geeft van een zorgvuldige voorbereiding en afweging van belangen.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Duursma, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Duursma

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006

378