Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0847

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
200600611/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dalfsen (hierna: het college) de aan [aanvrager] ten behoeve van het gebruik van het pand aan het [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) voor de verkoop van faciliteiten voor de glas- en tuinbouw verleende vrijstelling ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200600611/1.

Datum uitspraak: 25 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/733 van de rechtbank

Zwolle-Lelystad van 12 december 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dalfsen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dalfsen (hierna: het college) de aan [aanvrager] ten behoeve van het gebruik van het pand aan het [locatie] te [plaats] (hierna: het pand) voor de verkoop van faciliteiten voor de glas- en tuinbouw verleende vrijstelling ingetrokken.

Bij besluit van 31 maart 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 december 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 20 februari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 29 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 september 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, en het college, vertegenwoordigd door H. Lammertsen, ambtenaar in dienst van de gemeente Dalfsen, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter plaatse is het bestemmingsplan "Nieuwleusen 1976" (hierna: het bestemmingsplan) van kracht. Ingevolge het bestemmingsplan rust op de gronden waarop het pand gelegen is de bestemming "doeleinden voor handel en bedrijf II" met de nadere aanduiding GAR.

2.2.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Voorschriften bestemmingsplan Nieuwleusen (hierna: de Voorschriften), mogen de gronden, op de kaart bestemd voor doeleinden van handel en bedrijf I, uitsluitend worden gebruikt voor:

   a. winkelvoorzieningen: categorie W;

   b. horecavoorzieningen: categorie H;

   c. kantoor- en bankvoorzieningen: categorie KB;

met de daarbij behorende gebouwen, dienstwoningen, bijgebouwen, andere bouwwerken en andere werken.

   Ingevolge artikel 8, eerste lid, van de Voorschriften mogen de gronden, op de kaart bestemd voor doeleinden van handel en bedrijf II, uitsluitend worden gebruikt voor:

   a. voorzieningen ten behoeve van verzorgende, ambachtelijke en licht industriële bedrijven: categorie VAB;

   b. voorzieningen ten behoeve van garagebedrijven: categorie GAR;

   c. voorzieningen ten behoeve van transportbedrijven: categorie TR;

   d. voorzieningen ten behoeve van industriële bedrijven: categorie IB;

met de daarbij behorende gebouwen, bedrijfswoningen, andere bouwwerken en andere werken.

   Ingevolge het derde lid is het verboden de in het eerste lid genoemde gebouwen, andere bouwwerken en erven te gebruiken voor gebruiksvormen, als omschreven in artikel 7.

2.2.1.     Bij brief, bij het college ingekomen op 13 december 2001, heeft [aanvrager] toestemming gevraagd voor het gebruik van het pand als tuinadviescentrum.

   Bij besluit van 25 januari 2002 heeft het college aan [aanvrager] krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) en artikel 20, eerste lid, onder e, van het Besluit op de Ruimtelijke Ordening, vrijstelling verleend voor het gebruik van het pand voor de verkoop van faciliteiten voor de glas- en tuinbouw, zoals de verkoop van onder andere watergeefsystemen, ventilatoren en voedingssupplementen. Aan deze vrijstelling zijn de volgende voorschriften verbonden:

   1. het gebruik van het pand mag uitsluitend strekken tot de verkoop van faciliteiten voor de glas- en tuinbouw. Elk ander gebruik is in strijd met de WRO; dit geldt uiteraard niet voor het gebruik overeenkomstig het bestemmingsplan als garagebedrijf, alsmede het huidige gebruik als detailhandel voor de verkoop van tapijt en gordijnen;

   2. alle activiteiten moeten plaatsvinden overeenkomstig de bijgevoegde, gewaarmerkte tekening;

   3. elke wijziging in het gebruik dient onmiddellijk te worden gemeld aan burgemeester en wethouders.

2.2.2.    Aan het besluit van 31 maart 2005 heeft het college ten grondslag gelegd dat de daarbij ingetrokken vrijstelling is verleend op grond van onjuiste informatie. Het pand is uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik als 'growshop', hetgeen inhoudt dat sprake is van detailhandel in producten ten behoeve van de thuisteelt van cannabisproducten, terwijl bij de aanvraag is gesteld dat het gebruikt zou worden als tuinadviescentrum ten behoeve van de glastuinbouw. Indien de thans gebleken omstandigheden bij de aanvraag bekend waren geweest, zou geen vrijstelling zijn verleend, omdat gebruik als 'growshop' van het pand niet strookt met het lokale perifere detailhandel vestigingenbeleid, aldus dat besluit.

2.3.    Appellanten klagen dat de rechtbank heeft miskend dat het college de vrijstelling ten onrechte wegens het verschaffen van onjuiste informatie heeft ingetrokken, nu de verkoop van producten ten behoeve van de thuisteelt van cannabisproducten volgens het vrijstellingsbesluit is toegestaan.

2.3.1.     De vrijstelling betrof gebruik van het pand voor de verkoop van faciliteiten voor de glas- en tuinbouw, derhalve levering van producten aan ondernemers. Uit de advertenties die door [aanvrager] gepubliceerd zijn in verband met de opening op 11 mei 2002 en uit de op de website van het bedrijf vermelde informatie heeft het college terecht afgeleid dat in feite sprake is van handel in producten ten behoeve van de thuisteelt van cannabisproducten en derhalve detailhandel. Aldus wordt het pand anders gebruikt, dan waarvoor de vrijstelling is gevraagd en verleend. Het betoog faalt.

2.4.    Appellanten betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat intrekking van de vrijstelling in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel, nu bij de aanvraag voldoende duidelijkheid is verschaft over de aard van de te verkopen producten. Zo daarover al onduidelijkheden bestonden, had het op de weg van het college gelegen om nader onderzoek te doen, aldus appellanten.

2.4.1.    [aanvrager] heeft bij de aanvraag te kennen gegeven dat het pand als tuinadviescentrum voor de glastuinbouw gebruikt zal worden en dat, zoals ter zitting bij de rechtbank zijdens het college onbestreden is gesteld, zij zich wat betreft de afnemers op glastuinbouwbedrijven in de nabijgelegen Koekoekspolder richt. Het college had geen reden om hieraan te twijfelen. Aldus heeft [aanvrager] bij de aanvraag informatie verschaft over het met de gevraagde vrijstelling beoogde gebruik van het pand die niet met de werkelijkheid strookte. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat de vrijstelling op een onjuiste voorstelling van zaken bij de aanvraag berustte.

   Ondanks een schriftelijke waarschuwing van het college aan [aanvrager] op 8 mei 2002 dat het gebruik dat van het pand wordt gemaakt niet is toegestaan, waarna de aanduiding 'Growshop' van het pand en de website is verwijderd, is, naar het college onweersproken heeft gesteld, bij onderzoek medio 2004 gebleken dat [aanvrager] - en vanaf januari 2003 appellanten - het gebruik van het pand nadien ongewijzigd hebben voortgezet. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank het betoog van appellanten dat het college met de intrekking het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden terecht niet gevolgd.

2.5.    Appellanten betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat de intrekking een onevenredig zware maatregel is, nu de activiteiten ten behoeve van de 'growshop' slechts 10 tot 15% van de totale activiteiten betreffen en daartegen ook handhavend had kunnen worden opgetreden.

2.5.1.    Ook dat betoog faalt. Het was aan het college om te kiezen tussen handhaving en intrekking van de vrijstelling om een einde te maken aan het met de vrijstelling strijdige gebruik van het pand. Feiten of omstandigheden, waaruit valt af te leiden dat appellanten door de intrekking in plaats van handhaving onevenredig zwaar zijn getroffen, zijn niet gebleken. Met name heeft de rechtbank terecht overwogen dat appellanten de stelling dat de activiteiten ten behoeve van de 'growshop' slechts 10 tot 15% van de totale activiteiten betreffen niet aannemelijk hebben gemaakt.

2.6.    Tenslotte klagen appellanten dat de rechtbank heeft miskend dat gebruik van het pand voor detailhandel ingevolge het overgangsrecht is toegestaan.

2.6.1.    Het overgangsrecht ziet niet op intrekking van een vrijstelling, als waartoe het in bezwaar gehandhaafde besluit van 19 oktober 2004 strekt, zodat het betoog reeds daarom niet kan leiden tot het ermee beoogde doel.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006

344.