Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0830

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
200602976/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint Oedenrode (hierna: het college) appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast vóór 31 december 2004 1.700 stuks 3-jarige fijnsparren te herplanten op het perceel Sint Oedenrode, sectie […], nummer […], gelegen aan de [locatie].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2007, 3

Uitspraak

200602976/1.

Datum uitspraak: 25 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Sint Oedenrode,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1944 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 2 maart 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Sint Oedenrode.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Sint Oedenrode (hierna: het college) appellanten onder oplegging van een dwangsom gelast vóór 31 december 2004 1.700 stuks 3-jarige fijnsparren te herplanten op het perceel Sint Oedenrode, sectie […], nummer […], gelegen aan de [locatie].

Bij besluit van 17 mei 2005 heeft het college het daartegen door appellanten gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 maart 2006, verzonden op 10 maart 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 19 april 2006, bij de Raad van State op dezelfde dag per fax ingekomen, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 19 mei 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nog stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2006, waar [een van de appellanten] in persoon, bijgestaan door mr. R.E. Wannink, advocaat te 's-Hertogenbosch, en het college, vertegenwoordigd door J.A.F.M. van Vorstenbosch en J.C.M. Muselaers, beiden ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

   Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

   Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

   Ingevolge artikel 4.5.1, eerste lid, onder a, van de Algemene Plaatselijke Verordening (hierna: de APV) wordt in deze afdeling verstaan onder boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op 1,30 meter hoogte boven het maaiveld.

   Ingevolge artikel 4.5.1, eerste lid, onder b, van de APV wordt in deze afdeling verstaan onder houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen.

   Ingevolge artikel 4.5.1, eerste lid, onder e, van de APV wordt in deze afdeling verstaan onder dunning: een velling ter bevordering van het voortbestaan van de overblijvende houtopstand.

   Ingevolge artikel 4.5.2, eerste lid, van de APV is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders houtopstand te vellen of te doen vellen.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van dit artikel geldt het in het eerste lid gestelde verbod niet voor houtopstanden buiten de bebouwde kom in de zin van de Boswet, indien het betreft: fijnsparren of andere coniferen, niet ouder dan twaalf jaar, bestemd om te dienen als kerstbomen en geteeld op daarvoor in het bijzonder bestemde terreinen.

   Ingevolge artikel 4.5.6, eerste lid, van de APV kunnen burgemeester en wethouders, indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning van burgemeester en wethouders is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

2.2.    Bij besluit van 15 december 1997 heeft het college op grond van artikel 4.5.6 van de APV appellanten aangeschreven een gevelde houtopstand, bestaande uit fijnsparren, die stonden op een gedeelte, groot 1.700 m², van het perceel Sint Oedenrode, sectie […], nummer […], gelegen aan de [locatie] te herplanten met tenminste 3-jarige fijnspar (Picea abies) in een plantverband van 1 x 1 meter met als uiterste plantdatum 10 maart 1998.

   Het college is op 22 december 2003 gebleken dat vrijwel alle herplante fijnsparren zijn geveld.

   Bij besluit van 21 oktober 2004 heeft het college appellanten gelast 1.700 stuks 3-jarige fijnsparren op het onderhavige perceel te herplanten met als uiterste plantdatum 31 december 2004, onder oplegging van een dwangsom van € 100,00 per dag per eigenaar met een maximum te verbeuren dwangsombedrag van € 10.000,00 per eigenaar.

   Bij de bestreden beslissing op bezwaar van 17 mei 2005 heeft het college het besluit van 21 oktober 2004 gehandhaafd, met dien verstande dat de uiterste plantdatum op 15 december 2005 is gesteld.

2.3.    Appellanten betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het besluit van 15 december 1997 was uitgewerkt, nu zij aan de herplantplicht gevolg hebben gegeven. De rechtbank heeft verder op onjuiste gronden geoordeeld dat dit besluit kan dienen als basis voor een nieuwe lastgeving, aldus appellanten. Voorts voeren zij aan dat de rechtbank heeft miskend dat de rechtszekerheid meebrengt dat het besluit waarbij de last onder dwangsom is opgelegd, berust op een wettelijke grondslag. Tot slot bestrijden appellanten het oordeel van de rechtbank dat het voor hen duidelijk moest zijn dat het behoud van de herplante fijnsparren voorop stond.

2.3.1.    De Afdeling stelt voorop dat het college bij besluit van 15 december 1997 op grond van artikel 4.5.6 van de APV een herplantplicht heeft opgelegd, omdat in strijd met artikel 4.5.2, eerste lid, van de APV een houtopstand zonder kapvergunning was geveld. Met het opleggen van een herplantplicht wordt beoogd, zoals ook de rechtbank terecht heeft overwogen, de vorige toestand te herstellen, te weten een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in artikel 4.5.2, eerste lid, van de APV van toepassing is. De herplant dient in beginsel dan ook een equivalent te vormen van hetgeen door de illegale kap verloren is gegaan. In dit geval ging het om de illegale kap van 25 tot 30 jaar oude fijnsparren met een hoogte tot 10 meter. Nu appellanten die fijnsparren in 2003 weer hebben geveld, hebben zij de op artikel 4.5.6, eerste lid, van de APV gebaseerde herplantplicht niet nageleefd.

   Gelet op het vorenstaande bestaat, anders dan appellanten betogen, geen grond voor het oordeel dat het besluit waarbij de last onder dwangsom is opgelegd, niet berust op een wettelijke grondslag. Het betoog van appellanten dat niet kenbaar was dat het behoud van de aangeplante fijnsparren voorop stond, kan dan ook niet worden gevolgd. In het besluit van 15 december 1997 is ook uitdrukkelijk opgenomen dat door middel van periodiek uit te voeren dunningswerkzaamheden in het te planten aantal van 1.700 stuks in de loop van de opvolgende jaren voortdurend een gesloten beplantingsbeeld zal ontstaan en voorts is in een brief van het college aan appellanten van 17 maart 1998 vermeld dat de groenaanplant duurzaam in stand moet worden gehouden.

   De rechtbank heeft derhalve terecht en op goede gronden overwogen dat het college bevoegd was de bestreden last onder dwangsom op te leggen. In dit licht bezien is het betoog van appellanten dat de aangeplante fijnsparren waren bedoeld voor de kerstbomenteelt en de kap daarom was toegestaan, dan ook onbegrijpelijk, temeer nu uit het besluit van 15 december 1997, noch uit het vigerende bestemmingsplan "Kom" volgt dat het onderhavige perceel is bestemd voor kerstbomenteelt.

2.3.2.    Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.3.    De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat gelet op de aard van de overtreding legalisering niet aan de orde is. Voor zover appellanten betogen dat de opgelegde last onder dwangsom disproportioneel is, kan dit betoog niet slagen. De gevelde houtopstand bestond uit 25 tot 30 jaar oude fijnsparren, in de toppen waarvan zich vogels, waaronder reigers, nestelden. Deze bomen maakten een wezenlijk onderdeel uit van het groene karakter van het betrokken gebied. Nu voorts aan het behoud van de groene ruimte ter plaatse grote waarde wordt gehecht, is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat handhavend optreden niet onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Bindels

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006

85-505.