Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0828

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
200601047/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (hierna: het college) appellant, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast binnen vijf werkdagen de op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), aanwezige strijdigheid met de artikelen 5.1.1., 6.2.2., 7.3.2. en 7.4.1. van de Bouwverordening van de gemeente Schiedam (hierna: Bouwverordening Schiedam) op te heffen, door alle in strijd met voornoemde artikelen aanwezige zaken en stoffen alsmede het aanwezige afval uit de woning en de bijbehorende tuin te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601047/1.

Datum uitspraak: 25 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. GEMWT 05/2259 van de rechtbank Rotterdam van 28 december 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiedam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schiedam (hierna: het college) appellant, onder aanzegging van bestuursdwang, gelast binnen vijf werkdagen de op het perceel, plaatselijk bekend [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel), aanwezige strijdigheid met de artikelen 5.1.1., 6.2.2., 7.3.2. en 7.4.1. van de Bouwverordening van de gemeente Schiedam (hierna: Bouwverordening Schiedam) op te heffen, door alle in strijd met voornoemde artikelen aanwezige zaken en stoffen alsmede het aanwezige afval uit de woning en de bijbehorende tuin te verwijderen.

Bij besluit van 17 maart 2005, verzonden op 19 april 2005, heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 28 december 2005, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 28 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 mei 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant en het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 oktober 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.C. Hardam, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Wessels, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord [partijen].

2.    Overwegingen

2.1.    De rechtbank heeft, anders dan appellant betoogt, terecht geoordeeld dat, ook al zou aan het primaire besluit een bevoegdheidsgebrek kleven, dit is hersteld met de beslissing op bezwaar. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 9 januari 2002 in zaak no. 200103349/1 (AB 2002, 85) wordt, in een situatie waarin sprake is van een bezwaarschrift tegen een door een onbevoegd orgaan genomen besluit waarop door het bevoegde orgaan wordt beslist, met die beslissing het bevoegdheidsgebrek geacht te zijn hersteld. In het onderhavige geval is de beslissing op bezwaar genomen door het college, zodat, wat er ook zij van het gestelde bevoegdheidsgebrek, dit in ieder geval met de beslissing op bezwaar geacht kan worden te zijn hersteld.

2.2.    Niet in geschil is, en ook de Afdeling gaat daarvan uit, dat sprake was van een situatie die strijd oplevert met de artikelen 5.1.1., 6.2.2., 7.3.2. en 7.4.1. van de Bouwverordening Schiedam, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de beslissing op bezwaar op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. In dit verband betoogt appellant dat de door het college aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde rapportages zeer summier zijn en onvoldoende informatie bevatten, zodat het college op grond hiervan niet tot handhavend optreden kon overgaan.

   Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de rapportages voldoende gegevens bevatten om de aanschrijving op te baseren. Uit de rapportage van de brandweer van 22 juni 2004 en de rapportages van de politie Rotterdam-Rijnmond en Woonplus van 15 juli 2004 blijkt dat de woning door de aldaar aanwezige zaken moeilijk toegankelijk was, de leefruimte in de woning beperkt was tot slechts 4 m² en sprake was van een brandgevaarlijke situatie door de aanwezigheid van diverse brandbare stoffen. Hiermee bevatten de rapportages voor het college voldoende gegevens om de aanschrijving op te baseren en is van een onzorgvuldig genomen besluit dan ook geen sprake.

2.4.    Voorts heeft de rechtbank, anders dan appellant betoogt, terecht geoordeeld dat onvoldoende grond bestaat voor het oordeel dat handhavend optreden in het onderhavige geval zodanig onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat het college van optreden in deze concrete situatie had behoren af te zien.

2.5.    Appellant betoogt tot slot dat de rechtbank heeft miskend dat de begunstigingstermijn van vijf dagen onredelijk kort is, nu gedurende een periode van 10 jaar niet is opgetreden tegen de situatie op het perceel en het college dan ook niet in redelijkheid op deze korte termijn tot handhavend optreden had kunnen overgaan.

   Dit betoog faalt eveneens. Gezien het aanwezige brandgevaar voor appellant, zijn medebewoners en omwonenden en de omstandigheid dat appellant eerder overlast heeft veroorzaakt, onder meer door het dreigen met brandstichting in zijn woning, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat zich een dringende situatie voordeed. De aard van deze situatie rechtvaardigde, wat er ook zij van de door appellant gestelde tijdspanne waarin het college van handhavend optreden heeft afgezien, het op korte termijn handhavend optreden en een begunstigingstermijn van vijf dagen. Hierbij is gesteld noch gebleken dat appellant niet binnen de gestelde termijn aan de lastgeving kon voldoen. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient daarom te worden afgewezen.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink   w.g. Klein Nulent

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006

218-503.