Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0827

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
200603245/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de op 15 december 1994 verleende en op 3 april 1996 vastgestelde subsidie voor het treffen van ingrijpende voorzieningen aan drie particuliere huurwoningen verlaagd met 75% en een bedrag van € 23.789,43 teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200603245/1.

Datum uitspraak: 25 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05-1383 van de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (hierna: het college) de op 15 december 1994 verleende en op 3 april 1996 vastgestelde subsidie voor het treffen van ingrijpende voorzieningen aan drie particuliere huurwoningen verlaagd met 75% en een bedrag van € 23.789,43 teruggevorderd.

Bij besluit van 17 januari 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2006, verzonden op 20 maart 2006, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 30 mei 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. S.I. Schram, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van der Hijden, ambtenaar in dienst van de gemeente Amsterdam, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 86, eerste lid, aanhef en onder a, van de Amsterdamse Verordening Woninggebonden Subsidies 1993 (hierna: de Subsidieverordening; ingetrokken), voor zover en ten tijde hier van belang, verleent het college, in aanvulling op artikel 31, slechts geldelijke steun onder de voorwaarde dat de eigenaar, of zijn rechtsopvolger, na het treffen van de voorzieningen gedurende tien jaren geen splitsingsvergunning aanvraagt, of, indien reeds een splitsingsvergunning is verleend, niet tot splitsing overgaat van het gebouw in appartementsrechten.

   Ingevolge artikel 86, tweede lid, van de Subsidieverordening, ten tijde hier van belang, kan bij overtreding van de voorwaarden gesteld in het eerste lid, terugvordering van de bijdrage ineens plaatsvinden of een boete worden opgelegd conform het gestelde in artikel 89.

   Ingevolge artikel 89, derde lid, van de Subsidieverordening, voor zover en ten tijde hier van belang, bestaat met betrekking tot de voorwaarden gesteld in artikel 86, eerste lid, bij de eigenaar een meldingsplicht aan het college.

   Ingevolge artikel 89, vierde lid, van de Subsidieverordening, voor zover en ten tijde hier van belang, wordt bij het niet naleven van de meldingsplicht ongeacht het aantal verstreken jaren 75% van de verstrekte bijdrage-ineens teruggevorderd, dan wel bij subsidie in de vorm van jaarlijkse bijdragen een boete opgelegd ter grootte van 75% van de hoofdsom.

2.2.    Op 15 december 1994 heeft het college aan appellant op grond van de Subsidieverordening een subsidie verleend voor het treffen van ingrijpende voorzieningen aan de aan hem toebehorende particuliere huurwoningen aan de [locatie]. Op 3 april 1996 is deze subsidie vastgesteld. Het college heeft bij besluit van 26 oktober 2004 de aldus verleende en vastgestelde subsidies verlaagd met 75%, omdat appellant in strijd met de aan de subsidieverlening verbonden meldingsplicht, als bedoeld in artikel 89, derde lid, van de Subsidieverordening, heeft nagelaten aan het college melding te doen van een aanvraag om een splitsingsvergunning voor de voormelde huurwoningen te verkrijgen.

2.3.    De rechtbank heeft het bij haar bestreden besluit van 17 januari 2005 vernietigd, op de grond dat de Subsidieverordening, waarop de verlening en vaststelling van de subsidie was gebaseerd, per 1 januari 2001 is ingetrokken en de Subsidieverordening niet op grond van enige overgangsbepaling haar werking heeft behouden voor wat betreft het geheel of gedeeltelijk intrekken van verleende en vastgestelde subsidies. Voorts heeft zij overwogen dat titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) evenmin van toepassing is, nu de subsidie vóór 1 januari 1998 is verleend. Het college heeft de intrekking van de subsidie naar het oordeel van de rechtbank dan ook ten onrechte gebaseerd op de Subsidieverordening en artikel 4:49, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb, zodat het besluit in strijd met artikel 7:12 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering.

   De rechtbank heeft evenwel de rechtsgevolgen van het bij haar bestreden besluit in stand gelaten, omdat het college in beginsel niet de bevoegdheid kan worden ontzegd een begunstigende beschikking in te trekken en deze intrekking niet in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, indien de subsidieontvanger heeft gehandeld in strijd met de voorwaarden die aan de subsidie waren verbonden. Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat appellant heeft gehandeld in strijd met de subsidievoorwaarden dat de subsidieontvanger voor het pand waarvoor subsidie was verleend niet binnen tien jaar na het treffen van de voorzieningen een splitsingsvergunning mocht aanvragen en appellant evenzeer in strijd met de subsidievoorwaarden heeft nagelaten het aanvragen van een splitsingsvergunning te melden.    

2.4.    Het hoger beroep van appellant richt zich alleen tegen de instandlating van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit door de rechtbank en de overwegingen die zij daaraan ten grondslag heeft gelegd.

2.5.    Appellant betoogt in de eerste plaats dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college niet de bevoegdheid kan worden ontzegd de subsidie in te trekken en dat de intrekking niet in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

2.5.1.    Dit betoog slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het college in beginsel niet de bevoegdheid kan worden ontzegd een begunstigende beschikking met terugwerkende kracht in te trekken, tenzij de intrekking in strijd komt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder met name het rechtszekerheidsbeginsel. Dat de raad van de gemeente Amsterdam de Subsidieverordening heeft ingetrokken, waardoor de daarin opgenomen intrekkingsbevoegdheid is komen te ontvallen, kan aan dit uitgangspunt niet afdoen. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat de intrekking niet in strijd is met de rechtszekerheid, nu in de verleningsbeschikking uitdrukkelijk naar de in de Subsidieverordening opgenomen subsidievoorwaarden is verwezen en deze subsidievoorwaarden derhalve deel uitmaken van de verleningsbeschikking. Het was dan ook aan appellant zich op de hoogte te stellen van de toepasselijke subsidievoorwaarden. Van strijd met enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is evenmin gebleken. Nu niet in geschil is dat appellant in strijd met de subsidievoorwaarden binnen tien jaren na verlening een splitsingsvergunning heeft aangevraagd en voorts heeft nagelaten de aanvraag te melden, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het college bevoegd was de subsidie geheel of gedeeltelijk in te trekken.

2.6.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college gehouden was tot intrekking van 75% van de verleende en vastgestelde subsidie. Nu de intrekking niet kon worden gebaseerd op de inmiddels ingetrokken Subsidieverordening, had het college de bevoegdheid bij het intrekken alle relevante feiten en omstandigheden in zijn afweging te betrekken. Het college heeft nagelaten daarbij te betrekken dat geen splitsing van de appartementen is gerealiseerd, zodat het doel waarvoor de subsidie is verleend, het verbeteren van huurwoningen, is gerealiseerd en voorts, dat de opvattingen over het splitsen van panden in appartementen zijn gewijzigd.

2.6.1.    Dit betoog slaagt. Gelet op het onbestreden oordeel van de rechtbank dat de Subsidieverordening niet van toepassing is, kan artikel 89, vierde lid, van die verordening niet aan de intrekking ten grondslag worden gelegd, nu dit niet een aan de verlening verbonden subsidievoorwaarde, maar de sanctie op het overtreden van een subsidievoorwaarde is. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat het college slechts mag afwijken van artikel 89, vierde lid, van de Subsidieverordening in geval sprake is van bijzondere omstandigheden. Het college dient derhalve bij het intrekken van de onderhavige subsidie alle relevante omstandigheden te betrekken en de bij het besluit betrokken belangen af te wegen. Nu het college dit noch in het bij de rechtbank bestreden besluit, noch in het besluit van 26 oktober 2004 heeft gedaan, heeft de rechtbank ten onrechte aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het besluit van 17 januari 2005 in stand te laten.

2.7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 17 januari 2005 in stand heeft gelaten. Het college dient dan ook een nieuwe beslissing op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van deze uitspraak en de in hoger beroep onbestreden gebleven overwegingen van de rechtbank.

2.8.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 maart 2006, no. Awb 05-1383, voor zover de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 17 januari 2005 in stand heeft gelaten;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 665,07 (zegge: zeshonderdvijfenzestig euro en zeven eurocent), voor een gedeelte groot € 644,00 toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Amsterdam aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Amsterdam aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 211,00 (zegge: tweehonderdenelf euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Voorzitter, en mr. C.J.M. Schuyt en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.F.J. Bindels, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens    w.g. Bindels

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006

85-362.