Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0813

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
200600591/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gouda (hierna: het college) aan appellante, vertegenwoordigd door haar [directeur] vrijstellingen als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 2.5.30 van de bouwverordening van de gemeente Gouda, alsmede bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van een bedrijfspand op het perceel Nieuwe Haven 330-332 te Gouda.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2007, 51
Module Bouwregelgeving 2006/245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600591/1.

Datum uitspraak: 25 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Givolo B.V., gevestigd te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/4893 WRO van de rechtbank 's-Gravenhage van 7 december 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Gouda.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gouda (hierna: het college) aan appellante, vertegenwoordigd door haar [directeur] vrijstellingen als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en artikel 2.5.30 van de bouwverordening van de gemeente Gouda, alsmede bouwvergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen van een bedrijfspand op het perceel Nieuwe Haven 330-332 te Gouda.

Bij besluit van 4 oktober 2004 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 december 2005, verzonden op 12 december 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 19 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 februari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.L. Bervoets, advocaat te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door , mr. H.J.C.M. Kosman, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Binnenstad-West" is, anders dan appellante stelt, het perceel Nieuwe Haven 330 bestemd tot "Wonen en centrumdoeleinden (WCD)" en het perceel Nieuwe Haven 332 bestemd tot "Wonen I (WI)".

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor Wonen I (WI) aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden en de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken - geen gebouwen zijnde -, onbebouwde gronden en toegangspaden.

   Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de op de plankaart voor Wonen en centrumdoeleinden (WCD) aangewezen gronden bestemd voor woondoeleinden, openbare en bijzondere doeleinden en bedrijfsdoeleinden - met uitzondering van hotels en pensions en garagebedrijven -, met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken - geen gebouwen zijnde -, onbebouwde gronden en toegangspaden, met dien verstande dat een andere dan een woonbestemming mag worden gerealiseerd indien dat geschiedt in de eerste bouwlaag.

   Ingevolge artikel 25, eerste lid, van de planvoorschriften is het verboden de bouwwerken en de onbebouwde gronden te gebruiken of te laten gebruiken op een andere wijze of voor een ander doel dan blijkens die bestemmingen en voorschriften toelaatbaar is of is aan te merken als een normaal bestanddeel van dat toelaatbare gebruik.

   Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de planvoorschriften mogen de gronden en de bouwwerken in gebruik blijven op een wijze waarop of tot het doel waarvoor zij op de dag van het onherroepelijk worden van het plan in gebruik waren. Wijziging van dat gebruik is toegestaan indien hierdoor de afwijking t.o.v. het plan wordt verminderd of teniet gedaan.

   Ingevolge artikel B aanhef, in samenhang met tabel I, van het eveneens ter plaatse geldende facetbestemmingsplan "Prostitutie" geldt in aanvulling op artikel 25, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Binnenstad-West" hetgeen onder 1 tot en met 3 van artikel B is bepaald.

   Onder 1 is bepaald dat onder verboden gebruik in elk geval wordt verstaan het gebruiken, of laten gebruiken, van de bouwwerken en de onbebouwde gronden ten behoeve van een seksinrichting.

   Onder 3a, voor zover hier van belang, is bepaald dat het verbod onder 1 niet van toepassing is op bestaande seksinrichtingen aan de Nieuwe Haven 330-332, zoals aanwezig ten tijde van het van kracht worden van het facetbestemmingsplan "Prositutie", met dien verstande dat de omvorming naar of een toevoeging van een seksbioscoop, sekstheater of seksautomatenhal in deze bestaande seksinrichting niet is toegestaan.

2.2.    Appellante bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat het college aan de vrijstelling als bedoeld in 2.5.30 van de bouwverordening van de gemeente Gouda een voorwaarde tot betaling van een vergoeding kon verbinden. De hoogte van deze vergoeding is bij het besluit op bezwaar bepaald op € 16.172,00.

2.3.    Niet in geschil is dat de bouwaanvraag moest worden getoetst aan de bouwverordening van de gemeente Gouda, zoals die luidde voor 1 januari 2003 (hierna de bouwverordening 1996).

2.4.    Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening 1996 moet, indien een gebouw gelegen is in een deel van de gemeente dat is aangeduid op de - bij deze bouwverordening behorende - kaart als gebied I en II, voor zover de omvang of de bestemming van het gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in beperkte mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

   Ingevolge het derde lid, voor zover hier van belang, wordt aan het eerste lid geacht te zijn voldaan, indien het aantal parkeerplaatsen in overeenstemming is met het in de - bij de bouwverordening 1996 behorende - tabel voor het desbetreffende gebied en de desbetreffende functie behorende aantal parkeerplaatsen, inclusief de daarbij behorende toepassingsregels.

   Ingevolge het zesde lid van deze bepaling, voor zover hier van belang, kan het college vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste lid, onder meer voor zover op andere wijze in parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.

   Ingevolge het zevende lid, voor zover hier van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd aan de vrijstelling die op de hiervoor aangegeven grond wordt verleend de verplichting tot betaling van een geldbedrag te verbinden, doordat in het openbare gebied wordt voorzien in de nodige parkeer- of stallingsruimte. Dit bedrag was ten tijde hier van belang vastgesteld op € 4043,00 per parkeerplaats.

2.5.    In de tabel als bedoeld in artikel 2.5.30, derde lid, van de bouwverordening 1996 is bij de toepassingsregels onder 1 bepaald dat de normen geen antwoord geven op de vraag of de vestiging van een functie op een bepaalde locatie is toegestaan.

   Onder 3 is bepaald dat bij functiewijziging van bestaande bebouwing de uiteindelijke parkeereis gelijk is aan de parkeereis van de nieuwe functie minus de (theoretische) parkeereis van de oude functie (verrekening van het oude aantal parkeerplaatsen).

   Onder 5 is bepaald dat in gevallen waarin geen normen zijn aangegeven, op grond van vergelijkbare gevallen en gelet op de overige beschikbare gegevens, de parkeereis wordt bepaald.

   Onder 6 is bepaald dat de parkeereis niet wordt gesteld bij een verbouwing, waarbij noch een wijziging in het gebruik van het gebouw, noch een uitbreiding van het vloeroppervlak ervan plaatsvindt.

2.6.    Anders dan appellante betoogt, heeft de rechtbank op goede gronden geoordeeld dat de bepalingen van de bouwverordening, de toepassingsregels daaronder begrepen, er niet aan in de weg staan dat in dit geval een parkeereis is gesteld. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de toepassingsregel onder 6 mede ziet op een wijziging in het planologisch toegestane gebruik, omdat evident niet is beoogd dat in de gevallen dat eerst een wijziging van het gebruik plaatsvindt en pas daarna een bouwaanvraag wordt ingediend, in het kader van de beoordeling van die bouwaanvraag nimmer een (aanvullende) parkeereis kan worden gesteld.

2.7.    Appellante betoogt voorts tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het gebruik van de eerste en tweede verdieping van het pand Nieuwe Haven 332 in overeenstemming is met het bestemmingsplan, nu dit gebruik weliswaar in strijd is met het bestemmingsplan "Binnenstad-West", maar in overeenstemming is met het nadien op 5 maart 2001 vastgestelde facetbestemmingsplan "Prostitutie" en dit facetplan voorrang heeft.

   De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het gebruik van Nieuwe Haven 332 als sexinrichting ingevolge het facetbestemmingsplan "Prostitutie" weliswaar niet is verboden, doch dat daarnaast ingevolge het bestemmingsplan "Binnenstad-West" de op de panden Nieuwe Haven 330 en 332 rustende bestemmingen "Wonen en centrumdoeleinden (WCD)" en "Wonen I (WI)" zijn blijven gelden. Dit volgt ook uit Tabel I, die deel uitmaakt van het facetbestemmingsplan "Prostitutie". Daarin is uitdrukkelijk aangegeven dat dit bestemmingsplan een aanvulling is op hetgeen - voor zover hier van belang - in artikel 25, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Binnenstad-West" is bepaald. Het gegeven dat het facetbestemmingsplan "Prostitutie" gebruik van het pand Nieuwe Haven 332 als sexinrichting toelaat, heeft geen verandering gebracht in de omstandigheid dat dit gebruik in strijd is met deze bestemming, "Wonen I (WI)" zoals omschreven in artikelen 7, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan "Binnenstad-West". Anders dan appellante kennelijk meent heeft het facetbestemmingsplan "Prostitutie" het bestemmingsplan "Binnenstad-West" niet buiten werking gesteld of vervangen.

2.8.    Anders dan appellante aanvoert heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat het opleggen van de financiële verplichting in strijd is met bestendig beleid van het college. In bezwaar heeft appellante slechts gesteld dat het opleggen van de financiële verplichting willekeurig zou zijn, nu deze uitsluitend zou zijn opgelegd om tegemoet te komen aan degenen die een zienswijze hadden ingediend tegen het voornemen een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te verlenen. Bij de beslissing op bezwaar heeft het college afdoende gemotiveerd dat hiervan geen sprake is. Overigens heeft het college in hoger beroep voldoende aannemelijk gemaakt dat een dergelijk bestendig beleid ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar werd gevoerd. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat, anders dan het college heeft gesteld, de bijdrage niet is aangewend voor het aanleggen en in stand houden van parkeerplaatsen. Voor dit doel is een parkeerfonds gecreëerd, waarin de vergoedingen worden gestort die op grond van artikel 2.5.30, zevende lid, van de bouwverordening 1996 worden opgelegd. Evenmin staat de omstandigheid dat er geen parkeeroverlast zou zijn er aan in de weg dat deze bijdrage kan worden geheven.

2.9.    Ten slotte betoogt appellante tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat het college eigener beweging had behoren te onderzoeken of er aanleiding was van het beleid af te wijken. Het had op de weg van appellante gelegen feiten of omstandigheden aan te geven die tot een dergelijke afwijking zouden nopen. De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat van dergelijke feiten of omstandigheden niet is gebleken. In dit verband heeft appellante haar stelling dat de hoogte van de bijdrage een onevenredig zware last voor de bedrijfsvoering inhoudt niet met enig begin van bewijs aannemelijk gemaakt.

2.10.    Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

2.11.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Lodder

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006

17.