Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0802

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
25-10-2006
Zaaknummer
200510267/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) geweigerd aan appellant een bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200510267/1.

Datum uitspraak: 25 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/1823 van de rechtbank Breda van 7 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 8 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) geweigerd aan appellant een bouwvergunning eerste fase te verlenen voor het oprichten van een bedrijfswoning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 24 mei 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 7 november 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 16 december 2005. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 30 januari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 12 april 2006 is een nader stuk ontvangen van appellant. Deze is aan het college toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door J.A.L. van Engelen, en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. R.M.F.J. Meeuwis, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied Nieuw Ginneken" rust op het perceel de bestemming "Agrarisch gebied" met de aanduiding "Kernrandzone". Het perceel heeft tevens de bestemming "Agrarisch Bouwblok".

2.2.    In artikel 1, onder 17, van de planvoorschriften is bepaald dat onder bedrijfs-/dienstwoning wordt verstaan een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die kennelijk slechts is bedoeld voor de huisvesting van (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van de grond ter plaatse van het gebouw of het terrein, noodzakelijk moet worden geacht.

   Ingevolge artikel 15, lid A, onder 1, zijn de gronden die op plankaart 2 zijn aangewezen voor "Agrarisch bouwblok", bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf met bijbehorende voorzieningen.

   Ingevolge artikel 15, lid B, onder 4a, voor zover thans van belang, mag per bouwblok slechts één agrarische bedrijfswoning aanwezig zijn.

2.3.    Voor zover appellant zich keert tegen het oordeel van de rechtbank dat uit vorenbedoelde planvoorschriften volgt dat voor het oprichten van een bedrijfswoning de noodzaak daarvan aanwezig moet zijn in verband met het agrarisch bedrijf dat wordt uitgeoefend, heeft hij in hoger beroep uitsluitend verwezen naar hetgeen hij bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is op goede gronden tot haar oordeel gekomen, zodat het betoog van appellant faalt.

2.4.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat een bedrijfswoning niet noodzakelijk is.

2.4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 26 januari 2005 in zaak no. 200404881/1 is met betrekking tot de vraag naar de noodzaak van een bedrijfswoning van doorslaggevend belang of de bedrijfsvoering ter plaatse zoveel tijd en aandacht van de aanvrager opeist, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. Een en ander dient aan de hand van objectieve criteria te worden vastgesteld.

2.4.2.    Het college heeft zich voor zijn standpunt dat een bedrijfswoning niet noodzakelijk is, gebaseerd op het advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen (hierna: AAB) van 24 juni 2004, en een nader advies van 23 februari 2005, waarin is vermeld dat de agrarische activiteiten bestaan uit het telen van sierheesters met een omvang van ¼ volwaardige arbeidskracht en dat, gelet op de aard en de omvang van die activiteiten, de noodzaak van het oprichten van een bedrijfswoning uit agrarisch technisch oogpunt momenteel niet aanwezig is.

2.4.3.    De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat het college gelet op voormelde adviezen van de AAB zich op het standpunt heeft mogen stellen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat een bedrijfswoning ter plaatse noodzakelijk is. Daarbij is voorts in aanmerking genomen dat appellant elders in loondienst werkt en de afstand van de woning van appellant tot aan het perceel ongeveer 1.300 meter bedraagt.

2.5.    Het betoog van appellant dat de adviezen van de AAB onzorgvuldig tot stand zijn gekomen, slaagt evenmin. Het college heeft zich in de beslissing op bezwaar op het standpunt gesteld dat de adviezen van de AAB niet kunnen worden gevolgd voor zover daarin de eis van volwaardigheid van het agrarisch bedrijf is gesteld. Derhalve zijn de door appellant aangeleverde berekeningen van het Landbouw Economisch Instituut die van belang zijn voor de bepaling van de volwaardigheid van het agrarisch bedrijf in het voorliggende geschil niet van belang. Niet is gebleken dat de adviezen van de AAB voor het overige niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand zijn gekomen dan wel anderszins naar inhoud of wijze van totstandkoming gebreken vertonen, waardoor geoordeeld zou moeten worden dat het college deze adviezen voor het overige niet aan zijn besluit ten grondslag mocht leggen. Het betoog van appellant dat hij niet is gehoord in het kader van de nadere advisering van de AAB slaagt niet, reeds omdat hiertoe geen wettelijke verplichting bestaat.

2.6.    Appellants betoog dat de rechtbank ten onrechte zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft verworpen slaagt niet.

2.6.1.    Noch grootschalige bouw van burgerwoningen die alleen is toegestaan in die buitengebieden die daartoe speciaal zijn aangewezen in het kader van het volkshuisvestingsprogramma, de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex), noch de verleende vrijstellingen en bouwvergunningen ten behoeve van de percelen Eikbergseweg 1a, 3 en 5 komen zodanig overeen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat het college daarin aanleiding moest zien medewerking te verlenen aan het bouwplan.

   Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat het college niet in strijd heeft gehandeld met het gelijkheidsbeginsel.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L.M. Steinebach-de Wit, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk    w.g. Steinebach-de Wit

Lid van de enkelvoudige kamer   ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 oktober 2006

328-430.