Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0354

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
200510055/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 maart 2005 heeft de gemeenteraad van Groningen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 maart 2005, het bestemmingsplan "Helpermaar" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200510055/1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd en wonend te Groningen,

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2005 heeft de gemeenteraad van Groningen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 21 maart 2005, het bestemmingsplan "Helpermaar" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 18 oktober 2005, kenmerk 2005-07789/42/B.7, RP beslist over de goedkeuring van het plan.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 8 december 2005, bij de Raad van State per fax ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 januari 2006.

Bij brief van 1 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 1 mei 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten en het college van burgemeester en wethouders van Groningen. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek hebben appellanten nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2006, waar [een van de appellanten] in persoon en bijgestaan door mr. drs. M.S. Beerten, advocaat te Assen, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Groningen, vertegenwoordigd door J. Dallinga, ambtenaar van de gemeente. Verweerder is met kennisgeving niet verschenen.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Het plan

2.3.    Het plan voorziet in de bouw van ongeveer 350 woningen op het terrein van het Martini Ziekenhuis en de nabijgelegen weiden.

Het standpunt van appellanten

2.4.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden" en de aanduidingen "Bebouwingspercentage/maximaal aantal bouwlagen 30/3" en "Bebouwingspercentage/maximaal aantal bouwlagen 80/7" en "Bebouwingsklasse I", gelegen aan de zuidzijde van het plangebied. Appellanten stellen zich op het standpunt dat, nu het aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende stedenbouwkundig plan middels een prijsvraag tot stand is gekomen, geen reële belangenafweging heeft plaatsgevonden. Appellanten stellen voorts dat hun woon- en leefklimaat ernstig en wezenlijk nadelig wordt beïnvloed. Bovendien vrezen appellanten dat de beoogde ingrepen in de waterhuishouding in het gebied nadelige invloed zullen hebben op de omliggende woningen, de omgeving en de stabiliteit van de in het plangebied aanwezige gastransportleiding. In dat kader voeren zij aan, onder verwijzing naar een in hun opdracht opgestelde contra-expertise, dat nader onderzoek had moeten worden verricht naar de gevolgen van de waterhuishoudkundige ingrepen in het gebied. Appellanten stellen zich voorts op het standpunt dat de in het plandeel voorziene bebouwing niet aansluit op de omgeving. Verder stellen appellanten dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat verweerder bij zijn besluitvorming het Besluit luchtkwaliteit (hierna: Blk) heeft betrokken.

Het standpunt van verweerder

2.5.    Verweerder heeft dit plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft dit goedgekeurd. Verweerder acht, gelet op het feit dat sprake is van een woonfunctie en gezien de afstand tussen de geplande woningen en de woningen van appellanten, niet aannemelijk dat de verwezenlijking van het plandeel een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten met zich zal brengen. Volgens verweerder bestaat er, gelet op het onderzoeksrapport van Oranjewoud van 19 mei 2000, evenmin grond om aan te nemen dat ingrepen in de grondwaterstanden zullen leiden tot negatieve effecten voor aan het plangebied grenzende percelen.

Vaststelling van de feiten

2.6.    Het plandeel maakt een eiland met daarop een appartementengebouw van zeven bouwlagen en ongeveer 20 eengezinswoningen met drie bouwlagen mogelijk. In het voorheen geldende bestemmingsplan waren de in geschil zijnde gronden bestemd voor "Ziekenhuisbouw" met een goothoogte van maximaal 7 meter. Deze bebouwingsmogelijkheden zijn onbenut gebleven. Thans is sprake van een braakliggend terrein.

2.7.    Het plandeel grenst, voorzover thans van belang, aan de Bordewijklaan, de Felix Timmermanslaan en de Elsschotlaan. Volgens het deskundigenbericht zijn de woningen aan de Elsschotlaan […] en de Felix Timmermanslaan […] het dichtst bij de geprojecteerde nieuwbouw gelegen. De afstand tussen deze woningen en de geprojecteerde eengezinswoningen, bestaande uit drie bouwlagen, bedraagt ongeveer 30 meter. De afstand tussen de woningen aan de Elsschotlaan […] en de Felix Timmermanslaan […] en het appartementencomplex, bestaande uit zeven bouwlagen, bedraagt tenminste 60 meter.

2.8.    Ten behoeve van de voorbereiding van het plan is een bezonningsstudie en een zichtlijnenonderzoek uitgevoerd. Door middel van schaduwdiagrammen is de verandering in de bezonning als gevolg van de beoogde nieuwbouw in kaart gebracht. In dit geval is de schaduwwerking beoordeeld op 21 maart/21 september, 21 juni en 21 december. Uit de bezonningsstudie blijkt dat een deel van de tuin gelegen aan de Elsschotlaan […] in de winterperiode in de middag schaduw van de nieuwbouw ondervindt. Ook in het voor- en najaar ondervindt deze tuin in de middag schaduwwerking van de nieuwbouw.

   Volgens het zichtlijnenonderzoek bestaat vanuit de bovenste drie lagen van het appartementengebouw zicht op de achterliggende woningen en tuinen. In het deskundigenbericht is gesteld dat vanuit de geprojecteerde eengezinswoningen niet direct in de woningen aan de Bordewijklaan, de Felix Timmermanslaan en de Elsschotlaan zal kunnen worden gekeken.

2.9.    Ter zitting is van de zijde van het gemeentebestuur onweersproken gesteld dat in de omliggende woonwijk gestapelde woningen voorkomen. Daarbij is ondermeer verwezen naar een flat aan de Marcellus Emantslaan met hoogten van vijf tot negen bouwlagen en de "Zuiderflat" die volgens het gemeentebestuur elf bouwlagen hoog is.

   De overige plandelen voorzien onder meer in gebouwen met een minimale bouwhoogte van vier bouwlagen en een maximale bouwhoogte van zeven bouwlagen.

2.10.    In het kader van het onderhavige plan is door Oranjewoud het rapport "Bodemkundig-hydrologisch onderzoek en waterhuishoudingsplan Helpermaar" te Groningen van 19 mei 2000 opgesteld. In het rapport is gesteld dat de laagste grondwaterstanden niet zullen wijzigen ten gevolge van de verwezenlijking van het plandeel. Appellanten hebben dit rapport - in het kader van hun bezwaar tegen de keurontheffing - ter beoordeling aan Geoconsult voorgelegd. Geoconsult heeft zich bij brief van 20 september 2004, kenmerk 54083/01/TK, onder meer op het standpunt gesteld dat het onderzoek van Oranjewoud te beperkt is geweest.

2.11.    De door appellanten overgelegde contra-rapportage van Geoconsult is door verweerder aan het waterschap Hunze en Aa's (hierna: het waterschap) voorgelegd. In een reactie van 10 juni 2005 heeft het waterschap aangegeven dat het rapport van Oranjewoud voldoende is onderbouwd om de bodemgesteldheid in kaart te brengen en om te beoordelen of na uitvoering van de plannen, de waterhuishouding aan de eisen van het waterschap voldoet.

2.12.    Eind 2004 heeft Oranjewoud, ten behoeve van de monitoring van de grondwaterstanden, een aantal peilbuizen geplaatst in de tuinen van percelen aan de Felix Timmermanslaan en de Elsschotlaan. Daarbij is ook de bodemsamenstelling onderzocht. Volgens het deskundigenbericht kan uit de gegevens die hieruit beschikbaar zijn gekomen en die bij brief van 4 januari 2005 aan het waterschap zijn verstrekt en voorts zijn vastgelegd in het rapport "Monitoring grondwaterstanden 2005 ten zuiden van het bestemmingsplan Helpermaar" van 12 april 2006, worden afgeleid dat de bodemopbouw van de aan het plandeel grenzende percelen niet in relevante mate afwijkt van de bodemopbouw in het plangebied zoals vastgesteld in het rapport van Oranjewoud van 19 mei 2000.

2.13.    In het deskundigenbericht is vermeld dat de laagste grondwaterstand relevant is voor de beoordeling van mogelijke effecten op bebouwing. Als gevolg van de verlaging van de laagste grondwaterstand kunnen er zettingen optreden en wanneer dit ongelijkmatig gebeurt bestaat kans op schade aan de fundering en bebouwing.

   In het deskundigenbericht is vermeld dat op basis van het rapport van Oranjewoud van 19 mei 2000, in combinatie met het nader uitgevoerde onderzoek, voldoende inzicht bestaat om de effecten op de waterhuishouding in de omgeving te voorspellen. Voorts is daarin vermeld dat niet aannemelijk is dat er verlaging zal plaatsvinden van de laagste grondwaterstanden ter hoogte van de omliggende woningen en dat aangenomen kan worden dat er verlaging van de hoogste grondwaterstanden zal plaatsvinden maar dat dit niet zal leiden tot nadelige gevolgen.

2.14.    In de toelichting op het plan is een paragraaf opgenomen waarin de invloed van het plan op de luchtkwaliteit wordt beschreven. Daarin is vermeld dat het plan niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden voor de in het Blk genoemde stoffen.

Het oordeel van de Afdeling

2.15.    In het algemeen kunnen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten worden ontleend. De gemeenteraad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en voorschriften voor gronden vaststellen. De omstandigheid dat de op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan bestaande bebouwingsmogelijkheden onbenut zijn gebleven doet hier niet aan af. De omstandigheid dat het aan het bestemmingsplan ten grondslag liggende stedenbouwkundig plan middels een prijsvraag tot stand is gekomen doet hier evenmin aan af, nu het bestemmingsplan tot stand is gekomen volgens de wettelijk voorgeschreven procedure.

2.16.    Gelet op de onder overweging 2.6 genoemde bebouwingsmogelijkheden van het plan, zal voor appellanten vanwege de bouw van het appartementencomplex en de eengezinswoningen, een verlies van uitzicht en privacy optreden. Gelet op de hoogte van het appartementencomplex en de eengezinswoningen, en de afstand van deze nieuwbouw tot de woningen aan de Felix Timmermanslaan, de Elsschotlaan en de Bordewijklaan, heeft verweerder zich evenwel in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het uitzicht en de privacy beperkt is. Uit de resultaten van de bezonningsstudie volgt dat de door het plandeel mogelijk gemaakte bebouwing in beperkte mate tot een verslechtering van de bezonningssituatie bij een aantal omringende woningen leidt. Gesteld noch gebleken is dat dit onderzoek onjuistheden bevat of leemten in kennis vertoont. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aantasting van het woon- en leefklimaat van appellanten zodanig beperkt is dat het belang van de realisering van de woningbouw zwaarder moet wegen.

   In de omgeving van het plangebied komen gebouwen van gelijke en grotere omvang en hoogte voor. Ook binnen het plangebied zullen gebouwen van gelijke omvang en hoogte worden gerealiseerd. Bovendien is de bebouwingsdichtheid relatief beperkt. Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het karakter van de woningbouw in de omgeving zich niet tegen de in het plandeel voorziene bebouwing verzet.

2.17.    Uit het deskundigenbericht is af te leiden dat het plandeel niet tot zodanige wijzigingen in de grondwaterstand zal leiden dat dit negatieve gevolgen heeft voor bebouwingen in de omgeving van het plangebied. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor schade ten gevolge van het plandeel aan bebouwing op aan het plangebied grenzende percelen en aan de gastransportleiding.

2.18.    In de toelichting op het plan is vermeld dat het plan niet leidt tot overschrijding van de grenswaarden van de in het Blk genoemde stoffen. Niet aannemelijk is gemaakt dat verweerder zich hieromtrent geen zelfstandig oordeel heeft gevormd. Appellanten hebben geen feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om aan de juistheid van het gemeentelijk standpunt met betrekking tot de gevolgen van het plan voor de luchtkwaliteit te twijfelen.

2.19.    Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het belang bij de in het plan voorziene bouwmogelijkheden zwaarder weegt dan de door appellanten in beroep gestelde belangen.

2.20.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden", gelegen aan de zuidzijde van het bestemmingsplan "Helpermaar", niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder terecht goedkeuring heeft verleend aan het plandeel.

Proceskosten

2.21.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, Voorzitter, en mr. A. Kosto en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Taal, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel    w.g. Taal

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006

325-525.