Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0349

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
200600090/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het oprichten van een woning met garage op het perceel, plaatselijk bekend Achterweg naast nummer […].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200600090/1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Alkmaar,

tegen de uitspraak in zaak nos. 05/2769, 05/2924, 05/2835 en 05/2858 van de rechtbank Alkmaar van 9 december 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alkmaar (hierna: het college) aan [vergunninghouder] bouwvergunning en vrijstelling verleend voor het oprichten van een woning met garage op het perceel, plaatselijk bekend Achterweg naast nummer […].

Bij besluit van 21 oktober 2005 heeft het college, onder aanvulling van de motivering, het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 december 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar (hierna: de voorzieningenrechter) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 27 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 1 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Bij brief van 2 maart 2006 heeft [vergunninghouder], die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2006, waar appellanten in persoon en het college, vertegenwoordigd door A. van het Ende, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder], bijgestaan door mr. O.V. Wilkens, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    De woning heeft de vorm van een kruis. Twee armen van de woning liggen evenwijdig aan de Achterweg en twee armen staan haaks op de Achterweg. Het vooraanzicht van de woning wordt gevormd door de kopgevel van de arm die zich keert naar de Achterweg, met een breedte van 8,70 m, en de zijgevels van de twee armen die evenwijdig aan de Achterweg liggen. Die twee armen treden 3,50 m terug ten opzichte van de kopgevel die zich naar de Achterweg keert.

2.2.    Het betoog dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat appellanten hebben aangevoerd dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan "De Nollen 1999" (hierna: het bestemmingsplan), berust op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft immers overwogen dat niet in geschil is dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan.

2.3.    Voor zover appellanten betogen dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat op grond van het artikel 7, elfde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan (hierna: de planvoorschriften) dan wel artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling kon worden verleend, leidt dit, wat daarvan zij, niet tot het daarmee beoogde doel. Het college heeft terecht met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de WRO vrijstelling verleend, waaraan de voorzieningenrechter het besluit van 21 oktober 2005 ook heeft getoetst.

2.4.    Appellanten betogen dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college geen vrijstelling mocht verlenen voor het bouwplan omdat de massaliteit van de woning een te grote aantasting van het landschappelijk kwetsbare gebied tot gevolg heeft. Volgens appellanten heeft de voorzieningenrechter evenzeer miskend dat het bouwplan een grote inbreuk maakt op het planologische regime door alleen de kopgevel van de zich naar de Achterweg kerende arm van de woning als voorgevel aan te merken. De voorgevelbreedte die ingevolge het bestemmingsplan is toegestaan, wordt dan ook met een grotere afstand overschreden dan de afstand waarvan de rechtbank is uitgegaan, aldus appellanten.

2.4.1.    Op het perceel rust de bestemming "Wonen". Daarop is, gelet op de plankaart, bezien in samenhang met artikel 7.4 van de planvoorschriften, één woning toegestaan.

   Ingevolge artikel 4.1 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, moeten alle gebouwen in de op de plankaart weergegeven bouwvlakken worden gebouwd.

   Ingevolge artikel 4.2 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen de op de plankaart weergegeven bouwvlakken geheel worden bebouwd tenzij anders is bepaald.

   Ingevolge artikel 4.8 van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn burgemeester en wethouders bevoegd vrijstelling te verlenen van de maten betreffende de maximale gevelbreedte mits van die maten met niet meer dan 10% wordt afgeweken.

   Ingevolge artikel 7.3, aanhef en onder e, van de planvoorschriften is de bouw van een nieuwe woning in een bebouwingsvlak die een nieuwe woning mogelijk maakt, uitsluitend toegestaan voor zover de breedte van het perceel niet minder dan 25 m bedraagt en de voorgevelbreedte van de woning niet meer dan 8 m.

2.4.2.    De voorzieningenrechter heeft, evenals de Afdeling eerder in haar uitspraak van 24 december 2002 in zaak no. 200201760/1 (Gst. 2003, 7182, 51), overwogen dat de aan de ruimtelijke onderbouwing van een project te stellen eisen minder zwaar zijn, naarmate de inbreuk van het bouwplan, ten behoeve waarvan vrijstelling wordt verleend, op het bestaande planologische regime geringer is.

2.4.3.    Voorts heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat alleen de kopgevel van de arm die zich keert naar de Achterweg, die het dichtst bij die weg ligt, als voorgevel van de woning moet worden aangemerkt. Hij is appellanten terecht niet gevolgd in hun betoog dat ook de zijarmen tot de voorgevel moeten worden gerekend omdat de afstand van 3,50 m waarmee zij ten opzichte van de kopgevel terugtreden gering is. De ligging van de zijarmen ten opzichte van de naar de Achterweg gekeerde gevel, is juist reden om de zijarmen niet tot de voorgevel te rekenen.

   Tevens heeft de voorzieningenrechter terecht in aanmerking genomen dat het bouwplan is voorzien binnen het bouwvlak dat op de plankaart in het perceel is weergegeven. Hij is daarbij tot de juiste conclusie gekomen dat het bestemmingsplan ten aanzien van de woning alleen aan de voorgevelbreedte beperkingen stelt maar niet aan de breedte van de woning achter de voorgevel. Anders dan appellanten aanvoeren, valt derhalve niet in te zien dat het niet de bedoeling van de planwetgever is geweest dat binnen het bouwvlak een woning wordt opgericht die breder is dan de maximale voorgevelbreedte.

   Het vorenstaande betekent dat de voorgevelbreedte die ingevolge het bestemmingsplan maximaal is toegestaan, door het bouwplan met 0,70 m wordt overschreden. Daarvoor kan echter vrijstelling worden verleend met toepassing van de ingevolge artikel 4.8 van de planvoorschriften aan het college toekomende bevoegdheid. Gelet op de geringe strijd met het bestemmingsplan heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat de inbreuk op het planologische regime beperkt is. De voorzieningenrechter heeft het betoog van appellanten dat de massaliteit van de woning niet past in de bestaande bebouwing en het materiaalgebruik en de kleurstelling daarvan niet past in de landschappelijke waarden van het gebied, terecht niet van belang geacht. Behoudens bijzondere omstandigheden, die zich thans niet voordoen, is niet de inbreuk op de bestaande feitelijke situatie maar de inbreuk op de toegestane situatie ingevolge het planologische regime in dit verband doorslaggevend.

2.4.4.    De klacht van appellanten dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft overwogen dat de groenstrook naast het perceel, waarop de bestemming "Groenvoorzieningen" rust, niet van belang is voor de beoordeling van het besluit van 21 oktober 2005, leidt niet tot het ermee beoogde doel. Het college heeft de aanwezigheid van die strook vanuit landschappelijk oogpunt betrokken bij de ruimtelijke onderbouwing van het vrijstellingsbesluit. De ruimtelijke onderbouwing vermeldt dat vanwege de groenvoorziening naast het perceel, sprake is van een relatief kleine vermindering van de doorkijkfunctie ter plaatse. Voorts is daarin vermeld dat de beperkte goothoogte, de afgeschuinde, met pannen gedekte kapvorm en de verspringende gevels van de woning leiden tot een fijnere massaliteit die goed bij de omgeving aansluit. Tevergeefs betogen appellanten dat het college aldus de functie van groenvoorziening aan de strook heeft onttrokken. Voorts heeft de voorzieningenrechter, mede gelet op de beperkte inbreuk van het bouwplan op het planologische regime, terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die daaraan moeten worden gesteld.

2.5.    Voorts betogen appellanten dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Zij hebben daartoe aangevoerd dat niet duidelijk is waarom de Stichting Welstandszorg Noord-Holland (hierna: de welstandscommissie) op 20 augustus 2004 een positief welstandsadvies heeft afgegeven, terwijl de welstandscommissie zich meerdere malen negatief over het bouwplan heeft uitgelaten.

2.5.1.    In haar advies van 20 augustus 2004 heeft de welstandscommissie geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het college heeft in het besluit van 21 oktober 2005 te kennen gegeven dat de motivering van dit advies valt af te leiden uit de verslagen van de eerdere vergaderingen van de welstandscommissie over een ander bouwplan van [vergunninghouder] Uit de verslagen van die eerdere vergaderingen blijkt dat de welstandscommissie zich op het standpunt heeft gesteld dat wat betreft kleurgebruik aardse tonen gewenst zijn en dat de materialen hetzij traditioneler hetzij uitgesprokener dienen te zijn. Daarop heeft [vergunninghouder] de welstandscommissie het bouwplan voorgelegd, dat in kleur en materiaalgebruik afwijkt van het eerder voorgelegde bouwplan.

   Onder deze omstandigheden en gelet op hetgeen appellanten in beroep hebben aangevoerd, heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college het welstandsadvies van 20 augustus 2004 niet aan zijn besluit om bouwvergunning te verlenen ten grondslag heeft mogen kunnen leggen. Evenals de voorzieningenrechter wordt daartoe overwogen dat appellanten in bezwaar, en ook later in de procedure, niet uiteen hebben gezet waarom dat advies niet deugdelijk is, doch hebben volstaan met de opvatting dat het bouwplan niet in de omgeving past. Voorts is in aanmerking genomen dat [een van de appellanten] met een beroep op het gelijkheidsbeginsel heeft geklaagd dat de schuur, waarvoor hij bouwvergunning heeft aangevraagd, naar de mening van de welstandscommissie donkergroen diende te zijn, terwijl voor het bouwplan, dat deels lichtgrijs van kleur is, een positief welstandsadvies is afgegeven. Over kleurstelling heeft de welstandscommissie zich uitdrukkelijk gebogen.

2.6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers    w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006

313-499.