Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0347

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
200603912/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 augustus 2004, op 1 september 2004 op schrift gesteld, heeft de burgemeester van Delft (hierna: de burgemeester), voor zover thans van belang, de voor het publiek toegankelijke inrichting "Theehuis de Rits" aan de Van Leeuwenhoeksingel 52 te Delft (hierna: de coffeeshop) met ingang van 1 september 2004 te 18.00 uur voor de duur van één jaar gesloten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 19

Uitspraak

200603912/1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/5391 van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 april 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Delft.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2004, op 1 september 2004 op schrift gesteld, heeft de burgemeester van Delft (hierna: de burgemeester), voor zover thans van belang, de voor het publiek toegankelijke inrichting "Theehuis de Rits" aan de Van Leeuwenhoeksingel 52 te Delft (hierna: de coffeeshop) met ingang van 1 september 2004 te 18.00 uur voor de duur van één jaar gesloten.

Bij besluit van 25 januari 2005 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en zijn besluit van 27 augustus 2004 gehandhaafd, met dien verstande dat de ingangsdatum van de periode van sluiting nader is bepaald op 27 augustus 2004 te 22.00 uur en de einddatum nader is bepaald op 27 augustus 2005 te 22.00 uur.

Bij uitspraak van 14 april 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 10 juli 2006 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. R.A.M. Schram, advocaat te Haarlem, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. N. Boslooper, R. van der Plas en J. van Konijnenburg, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.2.    Ter uitvoering van die bevoegdheid heeft de burgemeester een coffeeshopbeleid ontwikkeld dat is neergelegd in de "Delftse coffeeshopnota 2004" van 16 april 2004. Het handhavingsbeleid ter zake is als bijlage van de nota opgenomen in de handhavingsmatrix, waarin onder meer is bepaald dat na de eerste constatering van de aanwezigheid van harddrugs, een coffeeshop zal worden gesloten voor één jaar.

2.3.    De burgemeester heeft de sluiting gebaseerd op een politierapportage van 30 augustus 2004, waaruit is gebleken dat op 27 augustus 2004 tijdens de exploitatie van de coffeeshop 14 bolletjes cocaïne met een totaalgewicht van 2 gram en 6 bolletjes heroïne met een totaalgewicht van 1 gram zijn aangetroffen. Uit het later opgemaakte proces-verbaal van 14 oktober 2004 blijkt dat op de vloer van de coffeeshop zijn aangetroffen een zogenaamd gripzakje met 1,5 gram cocaïne en 0,4 gram heroïne en onder een bank een zwart etuitje met 2,6 gram cocaïne en 0,9 gram heroïne.

2.4.    De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat de burgemeester bevoegd was bestuursdwang toe te passen en dat hij van deze bevoegdheid in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken omdat niet gebleken is van bijzondere omstandigheden die voor de burgemeester aanleiding hadden moeten zijn om van zijn coffeeshopbeleid af te wijken.

2.5.    In hoger beroep bestrijdt appellant - samengevat weergegeven - allereerst de overwegingen van de rechtbank dat het primaire besluit door het daartoe bevoegde bestuursorgaan is genomen, dat appellant voldoende in de gelegenheid is gesteld om zijn zienswijze te geven en dat de ingangsdatum van de sluiting met terugwerkende kracht hersteld kan worden bij de beslissing op bezwaar.

2.5.1.    Hetgeen appellant betoogt, is een herhaling van hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat de situatie dermate spoedeisend was dat het besluit tot sluiting mondeling kon worden medegedeeld en later op schrift kon worden gesteld. Voldoende is gebleken dat namens het daartoe bevoegde bestuursorgaan het besluit van 27 augustus 2004 is genomen en dat de burgemeester appellant voldoende in de gelegenheid heeft gesteld om zijn zienswijze te geven, alvorens hij het besluit schriftelijk heeft vastgelegd. Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de ingangsdatum vermeld in het primaire besluit een kennelijke verschrijving was, nu de sluiting met onmiddellijke ingang was bedoeld. Deze verschrijving heeft de burgemeester, anders dan appellant betoogt, bij de beslissing op bezwaar kunnen herstellen.

2.6.    Voorts betoogt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester toepassing heeft kunnen geven aan artikel 13b van de Opiumwet, dat de politierapportage en het proces-verbaal niet met elkaar overeenkomen en dat niet onomstotelijk is aangetoond dat het hier cocaïne dan wel handel in cocaïne betrof. Appellant voert in dat verband aan dat de hoeveelheid of de wijze van verpakking niets zegt over de vraag of sprake is van handel in/vanuit de coffeeshop.

   Tevens heeft de rechtbank volgens hem ten onrechte overwogen dat het aan het primaire besluit ten grondslag liggende coffeeshopbeleid niet kennelijk onredelijk of in strijd met de wet is. In dat verband voert hij aan dat het coffeeshopbeleid onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat zijn zienswijze geen rol heeft gespeeld bij de vaststelling van het beleid. Voorts acht appellant de in het beleid opgenomen handhavingsmatrix onredelijk en in strijd met de wet omdat daardoor de enkele aanwezigheid van harddrugs kan leiden tot sluiting van de coffeeshop.      

2.6.1.    Appellant heeft terecht aangevoerd dat de feiten in de politierapportage en het proces-verbaal niet geheel overeenkomen. De Afdeling is echter met de rechtbank van oordeel dat, gelet op de stukken van het politieonderzoek, waaronder de door de betrokkenen afgelegde verklaringen en gelet op de grote hoeveelheid harddrugs en de wijze van verpakking in 20 bolletjes, voldoende aannemelijk is geworden dat in de horecagelegenheid van appellant cocaïne en heroïne aanwezig was ten behoeve van verkoop, aflevering of verstrekking, als bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet. De Afdeling deelt het oordeel van de rechtbank dat de burgemeester van de juistheid van de door de politie verstrekte informatie mocht uitgaan.

   Ten aanzien van de handhavingsmatrix heeft de rechtbank, anders dan appellant betoogt, met juistheid verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 5 januari 2005 in zaak no. 200401581/1 waarin de Afdeling heeft overwogen dat voor het ontstaan van de bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen niet vereist is dat daadwerkelijk cocaïne is verhandeld.

   Het betoog dat het coffeeshopbeleid niet zorgvuldig tot stand gekomen is, faalt. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, nu de nota coffeeshopbeleid is gepubliceerd in de Stadskrant van Delft van 25 april 2004 genoegzaam is gebleken dat deze op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt en appellant hiermee mitsdien bekend kon zijn.

Voorts acht de Afdeling met de rechtbank het coffeeshopbeleid en het daarin opgenomen handhavingsbeleid gelet op het daarmee beoogde doel - het voorkomen van verstoring van de openbare orde door te bewerkstelligen dat een coffeeshop zijn bekendheid verliest als een gelegenheid waar (hard)drugs aanwezig zijn - niet onredelijk.  

2.7.    Ten slotte bestrijdt appellant de overweging van de rechtbank dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. Daartoe voert hij aan dat hij in de bijzondere omstandigheid verkeert dat de burgemeester hem geen waarschuwing heeft gegeven, dat hetgeen in zijn coffeeshop is aangetroffen hem niet kan worden aangerekend en dat de tijdelijke sluiting van de coffeeshop voor hem een definitieve sluiting tot gevolg heeft omdat na afloop van de sluitingsperiode geen softdrugs meer mogen worden verstrekt en evenmin de coffeeshop zich op een andere locatie mag vestigen. De rechtbank is in dit kader ten onrechte voorbijgegaan aan het evenredigheids- en proportionaliteitsbeginsel, aldus appellant.        

2.7.1.    Dit betoog faalt eveneens. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in voormelde uitspraak van 5 januari 2005 kan het feit dat een exploitant een financieel belang heeft bij de exploitatie van de coffeeshop en dat sluiting van de coffeeshop tot gevolg heeft dat de gedoogverklaring vervalt, zodat na heropening in de inrichting geen softdrugs meer mogen worden verkocht, niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Evenmin kan als een zodanige omstandigheid worden aangemerkt dat de aanwezigheid van cocaïne in de inrichting de exploitant niet kan worden aangerekend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 4 juli 2001 in zaak no. 200004191/1 (AB 2002, 6), speelt de verwijtbaarheid van de exploitant geen rol bij de vraag of zich een situatie voordoet die tot sluiting van de coffeeshop noopt. Dat de coffeeshop zich in een gebied bevindt waar veel drugsoverlast voorkomt, maakt dit niet anders. Ten slotte is geen bijzondere omstandigheid dat de burgemeester geen waarschuwing heeft gegeven terwijl hij, naar stellen van appellant al maanden eerder vermoedens had van handel in harddrugs, nu gelet op de handhavingsmatrix, de burgemeester niet verplicht was een waarschuwing te geven en een zorgvuldige besluitvorming dit evenmin vereiste.

   Nu niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die voor de burgemeester aanleiding hadden moeten zijn om van zijn beleid af te wijken, moet met de rechtbank worden geoordeeld dat de onmiddellijke sluiting van de inrichting niet disproportioneel is te achten. Gelet op het vorenstaande kan niet worden staande gehouden dat de burgemeester ten onrechte gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid bestuursdwang uit te oefenen.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Altena    w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006.

176-497.