Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0343

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
200600059/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (hierna: het college) aan de gemeente Kerkrade (hierna: de gemeente) vrijstelling verleend voor het bouwen van een zogenoemde Brede School met parkeerdek en 46 appartementen op de percelen aan de Directeur van der Mühlenlaan (hierna: de percelen).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2007/239

Uitspraak

200600059/1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te Kerkrade,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/241 van de rechtbank Maastricht van 24 november 2005 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade (hierna: het college) aan de gemeente Kerkrade (hierna: de gemeente) vrijstelling verleend voor het bouwen van een zogenoemde Brede School met parkeerdek en 46 appartementen op de percelen aan de Directeur van der Mühlenlaan (hierna: de percelen).

Bij afzonderlijk besluit van gelijke datum heeft het college aan de gemeente daarvoor bouwvergunning verleend.

Bij besluit van 16 november 2004 heeft het college het tegen de besluiten van 27 januari 2004 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 november 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 31 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 3 januari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 februari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2006, waar [twee van de appellanten] in persoon, en het college, vertegenwoordigd door C. van Loo en ing. W. Bosten, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellanten betogen dat de rechtbank, door te overwegen dat zij in bezwaar niet hebben gesteld dat het college geen onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit wat betreft zwevende deeltjes (PM10), de desbetreffende grond ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Daartoe voeren appellanten aan dat zij dit aspect bij brief van 5 oktober 2005, en derhalve binnen de termijn die wordt gesteld voor het indienen van nadere stukken, naar voren hebben gebracht.

2.1.1.    Het betoog slaagt. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 4 januari 2006 in zaak no. 200500045/1, vloeit ten aanzien van de bezwaarschriftprocedure uit de wet, noch uit enig rechtsbeginsel voort dat de gronden die niet in de bezwaarschriftfase zijn aangevoerd vanwege die enkele omstandigheid buiten de inhoudelijke beoordeling van het beroep zouden moeten blijven. Derhalve heeft de rechtbank voormelde grond van appellanten inzake de zwevende deeltjes ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

2.2.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit op bezwaar toetsen aan de hand van de bij de rechtbank aangevoerde en in hoger beroep gehandhaafde gronden.

2.3.    Appellanten betogen tevergeefs dat de vrijstelling en bouwvergunning op basis van tal van onjuistheden in de door de gemeente verstrekte gegevens zijn verleend en daarom niet in stand kunnen blijven. De door appellanten gestelde onregelmatigheden en fouten zijn kennelijke verschrijvingen dan wel onjuistheden van ondergeschikte aard die niet tot vernietiging van het besluit op bezwaar dienen te leiden.

2.4.    Appellanten betogen voorts tevergeefs dat niet is gebouwd overeenkomstig de bouwtekening. Wat hiervan zij, dit betreft de feitelijke uitvoering van het bouwplan, die in deze procedure niet aan de orde is.

2.5.    Voorts betogen appellanten dat het college er ten onrechte vanuit is gegaan dat na verwezenlijking van het bouwplan afdoende in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Daartoe voeren zij aan dat de parkeerbehoefte groter is dan het aantal parkeerplaatsen waarvan het college in het besluit op bezwaar is uitgegaan en dat niet voldoende parkeerplaatsen zijn voorzien.

2.5.1.    Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Kerkrade (hierna: bouwverordening) moet, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

2.5.2.    In de ruimtelijke onderbouwing van de vrijstelling is vermeld dat in de Ontwerprichtlijnen Inrichten Openbare Ruimte van de gemeente wordt uitgegaan van een aanbeveling van 0,8 parkeerplaats per ouderenwoning en 1,3 parkeerplaats per appartement. Tevens is in die onderbouwing vermeld dat gezien het gemengde karakter van de op te richten woningen, een parkeerbehoefte van 1,0 parkeerplaats per appartement wordt verwacht.

   De aldus door het college voorziene parkeerbehoefte is gebaseerd op de veronderstelling dat een deel van de appartementen door ouderen, wie dit ook zijn, zal worden bewoond. Het heeft echter nagelaten om die veronderstelling met gegevens te onderbouwen. Gelet hierop heeft het college niet deugdelijk gemotiveerd waarom het is afgeweken van de richtlijn van 1,3 parkeerplaats per appartement, die het, naar hij ter zitting te kennen heeft gegeven, als vaste praktijk hanteert om de parkeerbehoefte voor appartementen vast te stellen. Voorts zijn, zoals appellanten hebben aangevoerd en ter zitting is gebleken, elf bestaande parkeerplaatsen door verwezenlijking van het bouwplan vervallen.

   Gelet op het voorgaande heeft het college niet deugdelijk gemotiveerd dat het bouwplan voldoet aan artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening. De stelling van het college dat in de omgeving voldoende parkeerruimte aanwezig is, kan, wat hier ook van zij, daaraan niet afdoen. Het besluit op bezwaar is derhalve in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.6.    Het betoog van appellanten dat het college ten onrechte geen onderzoek heeft verricht naar de gevolgen van het bouwplan voor de luchtkwaliteit wat betreft zwevende deeltjes (PM10) omdat de verkeersstromen wijzigen en toenemen, slaagt eveneens.

   Niet is gebleken dat het college onderzoek daarnaar heeft verricht. Het college heeft zich, naar ter zitting is gebleken, op het standpunt gesteld dat het bouwplan geen gevolgen zal hebben voor de concentratie zwevende deeltjes (PM10).

   Gelet op de aard en de omvang van het bouwplan is de verkeersaantrekkende werking die daarvan redelijkerwijs mag worden verwacht, echter niet dusdanig dat op voorhand is uitgesloten dat het verlenen van vrijstelling voor het bouwplan geen gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit wat betreft zwevende deeltjes. Gelet op artikel 13 van het Besluit luchtkwaliteit (2001), dat ten tijde van het besluit op bezwaar gold, waarin is bepaald dat bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden die gevolgen voor de luchtkwaliteit ten aanzien van zwevende deeltjes (PM10) bepaalde grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) in acht nemen, had het college een dergelijk onderzoek behoren te verrichten. Het besluit op bezwaar is derhalve in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen.

2.7.    Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient gegrond te worden verklaard en het besluit op het bezwaar dient, gelet op het vorenstaande, wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb te worden vernietigd. Het college dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.9.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van appellanten gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 24 november 2005 in zaak no. 05/241;

III.    verklaart de bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade van 16 november 2004, kenmerk 054.0000246;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Kerkrade tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het hoger beroep en het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 56,34 (zegge: zesenvijftig euro en zesendertig cent); het dient door de gemeente Kerkrade te worden vergoed;

VI.    gelast dat de gemeente Kerkrade aan appellanten het door hen voor de behandeling van het hoger beroep en het beroep ten bedrage van € 345,00 (zegge: driehonderdvijfenveertig euro) betaalde griffierecht vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers    w.g. Roelfsema

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006

313-499.