Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0341

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
200509552/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 maart 2005 heeft de gemeenteraad van Terneuzen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 maart 2005, het bestemmingsplan "Buitengebied Terneuzen/Sas van Gent" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/2936
Module Ruimtelijke ordening 2006/3539

Uitspraak

200509552/1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats], gemeente Terneuzen,

2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], Duitsland,

3.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Ergotec Holding B.V." (hierna: Ergotec B.V.), gevestigd te Terneuzen,

4.    de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid "Windkracht 7 B.V." en "Eneco Energieprojecten B.V." (hierna: Windkracht 7 B.V. en Eneco B.V.),

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2005 heeft de gemeenteraad van Terneuzen, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 1 maart 2005, het bestemmingsplan "Buitengebied Terneuzen/Sas van Gent" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 oktober 2005, kenmerk 0510414/115/5, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 15 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2005, appellant sub 2 bij brief van 22 november 2005, bij de Raad van State ingekomen op 25 november 2005, appellante sub 3 bij brief van 9 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2005, en appellanten sub 4 bij brief van 20 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 20 december 2005, beroep ingesteld. Appellante sub 3 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 12 januari 2006.

Bij brief van 21 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant sub 2, de gemeenteraad van Terneuzen en M.H.F. Groeneveld. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2006, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. ir. J.L. Mieras, appellante sub 3, vertegenwoordigd door mr. J. de Bliek, advocaat te Tilburg, appellanten sub 4, vertegenwoordigd door mr. J.H.M. Berenschot, advocaat te Apeldoorn, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. P. Smits, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Terneuzen, vertegenwoordigd door A. van Hoeve, ambtenaar van de gemeente, en [partij], in persoon. Ter zitting is appellant sub 2 met bericht van afwezigheid niet verschenen.

2.    Overwegingen

Intrekking

2.1.    Ter zitting heeft Ergotec B.V. haar beroepsgrond inzake de goedkeuring van artikel 42, tweede lid, aanhef en onder b, en artikel 42, vierde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, ingetrokken.

Overgangsrecht

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Ontvankelijkheid

2.3.    Het beroep van Ergotec B.V. voor zover niet ingetrokken op zitting, steunt niet op een bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze.

Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, en 56, tweede lid, gelezen in samenhang met de artikelen 23, eerste lid, en 27, eerste en tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten, voor zover dit beroep een grondslag heeft in een tegen het ontwerp-plan bij de gemeenteraad ingebrachte zienswijze. Dit is slechts anders voor zover de gemeenteraad bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen heeft aangebracht ten opzichte van het ontwerp, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest terzake een zienswijze in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

Het beroep van Ergotec B.V. is dan ook niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.4.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Planbeschrijving

2.5.    Het plan beoogt een actueel planologisch kader te vormen voor het buitengebied van de voormalige gemeenten Terneuzen en Sas van Gent.

Beroep van [appellant sub 1]

Het standpunt van appellant

2.6.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de perceelsbestemming "Natuurdoeleinden (N)" en de gebiedsbestemming "Natuurgebied en bos" voor zover het betreft de gronden ten zuiden van de Langeweg ter hoogte van het perceel [locatie sub 1].

Appellant voert hiertoe aan dat nu het natuurgebied, inclusief kreek, dichtbij zijn agrarische bouwvlak is voorzien zijn bedrijf in waarde zal dalen en hij belemmeringen zal ondervinden bij de exploitatie van zijn perceel.

Hij vreest voor extra onkruiddruk, vernattings- en verdrogingsschade en stuifschade bij de aanleg van het natuurgebied. Ook vreest hij voor schade aan zijn gewassen door vogels en ander wild en voor verzilting en stank vanwege de slechte waterkwaliteit van de kreek.

Tevens stelt hij dat het Natuurgebiedsplan Zeeland op de onderwerpelijke gronden niet onverkort kan worden toegepast. Verder wijst appellant erop dat het natuurgebied niet aansluit op reeds bestaande natuur en niet passend is in de agrarische omgeving.

Het standpunt van verweerder

2.6.1.    Verweerder heeft dit plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend. Hij heeft daartoe overwogen dat het natuurgebied geen beperkingen oplevert voor de agrarische bedrijfsvoering van appellant. Verder stelt hij dat bij de inrichting en beheer van de gronden dient te worden uitgegaan van goed nabuurschap.

De vaststelling van de feiten

2.6.2.     Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.6.3.    Appellant exploiteert op zijn gronden aan de zuidzijde van de Langeweg, tegenover [locatie] een agrarisch bedrijf.

Deze gronden grenzen aan het perceel waarop het natuurgebied is voorzien. Op dit perceel is men voornemens tevens een kreek aan te leggen.

Het natuurgebied wordt in het westen, oosten en zuiden omringd door gronden met de perceelsbestemming "Agrarische doeleinden (A)". In het noorden wordt het natuurgebied begrensd door de Langeweg. Aan de overzijde van deze weg ligt eveneens een natuurgebied.

Volgens de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de Provinciale Commissie voor de Groene Ruimte op 16 september 2004 ingestemd met de wijziging van het Natuurgebiedsplan Zeeland 2001, ten behoeve van natuurontwikkeling op het onderwerpelijke perceel. In het Natuurgebiedsplan Zeeland 2005 is deze wijziging verwerkt en is het onderwerpelijke perceel op de daarbij behorende kaart aangeduid als "nieuwe natuur". Dit zijn huidige cultuurgronden waar functiewijziging van landbouw naar natuurgebied gewenst is.

Blijkens de stukken is de diepte van de aan te leggen kreek bepaald in overleg met het waterschap. Daarnaast zal het waterschap monitoren om te onderzoeken of de aanleg van het natuurgebied invloed heeft op de waterkwaliteit. Tevens zal het waterschap de grondwaterstand monitoren.

Verder wordt in de stukken vermeld dat het grondwaterpeil zich op natuurlijke wijze zal herstellen en dat de kreek na verloop van tijd een beperkte dempende werking zal hebben op grondwaterstandstijgingen en -dalingen, hetgeen met zich brengt dat de kans op verdroging/vernatting van omliggende gronden beperkt is.

Volgens de stukken is de kans op stuivend zand beperkt, gezien de overheersende windrichting en kan eventuele schade verder worden beperkt door het natuurgebied in een voor appellant gunstig jaargetijde aan te leggen. Tevens heeft de initiatiefnemer van het natuurgebied toegezegd dat het zand dat bij de aanleg van de kreek wordt afgegraven en in een depot zal worden gedaan, nat zal worden gehouden.

Het oordeel van de Afdeling

2.6.4.    Niet in geschil is dat het plan op de onderwerpelijke gronden de aanleg van een natuurgebied mogelijk maakt.

Naar het oordeel van de Afdeling heeft verweerder in navolging van de gemeenteraad de instemming met de wijziging van het "Natuurgebiedsplan Zeeland 2001" ten behoeve van natuurontwikkeling op het perceel naast dat van appellant, bij zijn besluitvorming kunnen betrekken.

In het enkele feit dat het natuurgebied wordt omgeven door gronden met een agrarische bestemming heeft verweerder geen aanleiding behoeven te zien de bestemming "Natuurgebied" dan wel de gebiedsbestemming "Natuurgebied en bos" niet passend te achten. De Afdeling ziet evenmin grond voor het vereiste dat het nieuwe natuurgebied dient aan te sluiten op een reeds bestaand gelijksoortig natuurgebied.

2.6.5.    Wat betreft de eventuele nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van appellant, bestaat geen grond voor het oordeel dat die waardevermindering zodanig zal zijn dat verweerder hieraan in redelijkheid een doorslaggevend gewicht had moeten toekennen.

Gezien de verwachte dempende werking van de kreek op schommelingen van de grondwaterstand, heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanleg van het natuurgebied niet zal leiden tot ernstige vernatting dan wel verdroging van de nabijgelegen gronden.

Verder heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat de door het waterschap te treffen maatregelen onvoldoende zijn om eventuele verzilting dan wel stank vanwege de waterkwaliteit in de kreek te voorkomen, dan wel te beperken.

Gezien de gestelde en niet (voldoende) weersproken overheersende windrichting en de gedane toezeggingen van de initiatiefnemer van de natuurontwikkeling inzake het seizoen waarin wordt afgegraven alsmede het nathouden van het daarbij vrijkomende zand, heeft verweerder ervan mogen uitgaan dat geen ernstige stuifschade zal optreden.

Voor zover appellant stelt dat als gevolg van de in het plan voorziene mogelijkheid tot de aanleg van het natuurgebied hinder zal optreden op de naastgelegen percelen, in de vorm van verhoogde onkruiddruk en schade door vogels en wild, overweegt de Afdeling dat niet aannemelijk is geworden dat deze hinder zo ernstig zal zijn dat verweerder daaraan niet voorbij heeft kunnen gaan.

Verweerder heeft, in aanmerking nemend dat het plan tevens positieve effecten heeft voor de natuurontwikkeling, in redelijkheid meer gewicht kunnen toekennen aan het belang bij aanleg van het natuurgebied dan aan de daaruit voor appellant voortvloeiende bezwaren.

Overigens heeft verweerder er ter zitting op gewezen dat mochten er problemen ontstaan en appellant en de natuurbeheerder niet tot een aanvaardbare oplossing kunnen komen, appellant de zaak kan voorleggen aan de Provinciale Commissie Nabuurschap.

2.6.6.    Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 1] is ongegrond.

Beroep van [appellant sub 2]

Het standpunt van appellant

2.7.    Appellant stelt in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel dat betrekking heeft op zijn perceel [locatie sub 2].

Hij voert hiertoe aan dat zijn (recreatie)woning in het plan ten onrechte niet als zodanig is bestemd.

Tevens wijst hij erop dat een aantal andere (recreatie)woningen aan de Lovenweg en Lovenpolderstraat wel als zodanig is bestemd.

Het standpunt van verweerder

2.7.1.     Verweerder heeft dit plandeel niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht geacht en heeft hieraan goedkeuring verleend.

Wel heeft verweerder aan de nadere aanwijzing "persoonsgebonden overgangsrecht" voor deze gronden goedkeuring onthouden. Hiertoe heeft hij overwogen dat het gebruik van de (recreatie)woning vóór de inwerkingtreding van het plan als zodanig was bestemd, zodat volgens hem blijkens vaste jurisprudentie het gebruik van de (recreatie)woning niet onder het persoonsgebonden overgangsrecht kan worden gebracht.  

De vaststelling van de feiten

2.7.2.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.7.3.    Het gebouw van appellant aan het [locatie sub 2] is in gebruik als recreatiewoning.

Begin jaren '90 is de Kanaalzone Zeeuwsch-Vlaanderen, aangewezen als een van de zogenoemde ROM-projecten. Een ROM-project is een project waarbij wordt gepoogd de economische activiteiten te verzoenen met de woonfunctie en het milieu om zo de leefbaarheid en de milieukwaliteit van het gebied te waarborgen. In het kader van het amoveringplan Kanaalzone Zeeuwsch-Vlaanderen, is een aantal (recreatie)woningen, waaronder die van appellant, aangewezen om te worden geamoveerd. Volgens de stukken is de (recreatie)woning van appellant als zodanig aangewezen omdat deze in de nabijheid van het bedrijf Dow Chemical staat en wat betreft luchtverontreiniging, geluidsoverlast en ongevalsrisico dermate ongunstig ligt dat amovering noodzakelijk is. Met uitzondering van de (recreatie)woning van appellant zijn de andere (recreatie)woningen die in het amoveringsplan zijn aangewezen, gesloopt. Volgens de stukken is de gemeenteraad voornemens de (recreatie)woning van appellant te onteigenen en zijn hiervoor ook gelden gereserveerd. De (recreatie)woningen die in het plan, in tegenstelling tot die van appellant, wel als zodanig zijn bestemd, zijn in het amoveringsplan niet aangewezen als te amoveren (recreatie)woningen.

De (recreatie)woning van appellant heeft in dit plan de bestemming "Agrarische doeleinden (A)" met de nadere aanwijzing "persoonsgebonden overgangsrecht". Aan de genoemde aanwijzing heeft verweerder bij het bestreden besluit goedkeuring onthouden.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de planvoorschriften voor zover hier van belang, zijn gronden die op de plankaart zijn aangewezen voor "Agrarische doeleinden (A)" bestemd voor de uitoefening van het grondgebonden agrarisch bedrijf en routegebonden recreatief medegebruik.

Ingevolge het tweede lid, van dit artikel voor zover hier van belang, zijn op de in lid 1 bedoelde gronden mede toegestaan het gebruik en de bouwmogelijkheden, zoals aangegeven in hoofdstuk III (bestemmingen op gebiedsniveau).

Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de planvoorschriften mag het gebruik van gronden en bouwwerken dat afwijkt van het plan op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt, worden voortgezet met uitzondering van het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen tot dat tijdstip geldende plan - daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan - en waartegen wordt of alsnog kan worden opgetreden.

Het oordeel van de Afdeling

2.7.4.    Ter zitting is gesteld en onweersproken gebleven dat het gebruik van het gebouw als recreatiewoning in het vorige plan als zodanig was bestemd en het derhalve bestaand legaal gebruik betreft.

Niet in geschil is dat het bestaande gebruik in het onderhavige plan niet als zodanig is bestemd.

Vanwege de onthouding van goedkeuring van verweerder aan de aanduiding "persoonsgebonden overgangsrecht" valt het gebruik van de recreatiewoning, gezien overweging 2.7.3. onder het in artikel 43, eerste lid, van de voorschriften opgenomen overgangsrecht.  

2.7.5.    De Afdeling vat het beroep van appellant aldus op dat hij wenst dat het huidige gebruik als recreatiewoning in het bestemmingsplan als zodanig wordt bestemd.

De Afdeling stelt voorop dat bestaand legaal gebruik in het algemeen dienovereenkomstig dient te worden bestemd. Dit uitgangspunt kan onder meer uitzondering vinden indien het als zodanig bestemmen van bestaand legaal gebruik op basis van nieuwe inzichten niet langer in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening en het belang bij de nieuwe bestemming zwaarder weegt dan de gevestigde rechten en belangen. Daarnaast moet met het oog op de gevestigde rechten en belangen aannemelijk zijn dat de beoogde bestemming binnen de planperiode wordt verwezenlijkt.

2.7.6.    Blijkens de stukken is de nieuwe agrarische bestemming voor het perceel [locatie sub 2] opgenomen in verband met het ROM-project op grond waarvan vanwege de ter plaatse aanwezige geluidhinder, luchtkwaliteit, en het ongevalsrisico is besloten de (recreatie)woning van appellant te amoveren.

Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ter plaatse een aanvaardbaar woon- en leefklimaat niet kan worden gegarandeerd.

Ten aanzien van de door appellant gemaakte vergelijking met andere (recreatie)woningen overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat die situaties zodanig overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie, dat verweerder om deze reden niet heeft kunnen instemmen met een agrarische bestemming voor het perceel van appellant. De Afdeling betrekt daarbij dat de door appellant bedoelde (recreatie)woningen in het plan van aanpak van het ROM-project, anders dan de recreatiewoning op het perceel [locatie sub 2], niet zijn aangewezen als te amoveren (recreatie)woningen.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder het als zodanig bestemmen van de woning in redelijkheid in strijd met een goede ruimtelijke ordening kunnen achten.

In aanmerking genomen het voornemen van de gemeenteraad om tot onteigening over te gaan, alsmede de financiële reservering die hiervoor reeds is gemaakt en het feit dat de andere volgens het amoveringsplan te amoveren (recreatie)woningen reeds zijn aangekocht, is aannemelijk dat het huidige gebruik van de recreatiewoning van appellant binnen de planperiode zal worden beëindigd en plaats zal maken voor verwezenlijking van de agrarische bestemming.

Verweerder heeft zich dan ook in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onder deze omstandigheden het gebruik, in afwijking van het in 2.7.5. genoemde uitgangspunt, niet als zodanig behoorde te worden bestemd.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van [appellant sub 2] is ongegrond.

Beroep van Windkracht 7 B.V. en Eneco B.V.

2.8.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de plandelen voor de gronden in de Eendragtpolder, voor zover deze niet voorzien in een windturbinepark.

Zij voeren hiertoe aan dat het plan in zoverre in strijd is met het provinciale beleid. Verder betogen zij dat de gemeenteraad verwachtingen heeft gewekt dat het plan zou voorzien in het windturbinepark. Appellanten wijzen daarbij onder meer op het genomen voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Tevens stellen appellanten dat de gewijzigde vaststelling van het plan wat betreft het windturbinepark onvoldoende is gemotiveerd.  

Het standpunt van de gemeenteraad

2.8.1.    De gemeenteraad heeft het plan wat betreft het windturbinepark gewijzigd vastgesteld met dien verstande dat het plan niet meer voorziet in het windturbinepark Eendragtpolder. De gemeenteraad heeft daarbij van belang geacht dat het windturbinepark een grote invloed op zijn omgeving heeft en dat er geen maatschappelijk draagvlak voor deze ontwikkeling is.

Het standpunt van verweerder

2.8.2.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien dit plandeel in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft in zoverre goedkeuring aan de genoemde plandelen verleend.

Hij heeft daartoe overwogen dat het plan niet in strijd is met de streekplanuitwerking "Streekplan Zeeland, Uitwerking windenergie 1999", aangezien deze er niet toe verplicht het windturbinepark te realiseren, maar een globaal waarborgingsbeleid voor deze gronden geeft.

Hij heeft tevens van belang geacht dat namens de gemeenteraad geen te honoreren verwachtingen zijn gewekt, ook niet door het genomen voorbereidingsbesluit. Verder wijst verweerder erop dat de gemeenteraad in het kader van een mogelijke procedure, gebaseerd op artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening reeds het standpunt heeft ingenomen dat een windturbinepark van een dergelijke omvang ter plaatse niet passend is.

Verweerder acht de motivering van de gewijzigde vaststelling voldoende.

De vaststelling van de feiten

2.8.3.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.8.4.    Het "Streekplan Zeeland 1997" vermeldt dat het ruimtelijk beleid ten aanzien van (grootschalige) windturbineparken nader zal worden ingevuld in een streekplanuitwerking. In de uitwerking van het streekplan "Streekplan Zeeland, uitwerking windenergie 1999" is de Eendragtpolder aangewezen als locatie voor grootschalige opwekking van windenergie. Voor deze locatie geldt volgens de uitwerking een globaal waarborgingsbeleid. Dit houdt in dat onomkeerbare veranderingen in de ruimtelijke situatie die het realiseren van een windenergieproject op deze locatie onmogelijk maken, worden tegengegaan. Het huidige agrarische gebruik blijft onverkort mogelijk, inclusief de bijbehorende ontwikkelingsmogelijkheden.

Op 30 maart 2000 is ten behoeve van het windturbinepark een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening genomen. Dit besluit is genomen om te voorkomen dat het gebied minder geschikt wordt voor de verwerkelijking van een bij het toekomstige plan te geven bestemming.

Vervolgens heeft de gemeenteraad op 15 juli 2004 besloten de planologische medewerking aan het windturbinepark niet te willen voortzetten. Op 16 december 2004 heeft de gemeenteraad dit standpunt herhaald en heeft hij het college van burgemeester en wethouders verzocht een ontwerp van het bestemmingsplan voor te leggen waarin het windturbinepark niet was opgenomen.

Niettemin heeft het college van burgemeester en wethouders het windmolenpark opgenomen in het ontwerp van het bestemmingsplan. Het in het ontwerp voorziene park grenst aan de Westerschelde en bestaat uit 13 windturbines met elk een rotordiameter van 80 meter, een ashoogte van 100 meter en een vermogen van 3 Megawatt.

Mede gezien het aantal ingediende zienswijzen heeft de gemeenteraad in het vastgestelde plan geen windmolenpark opgenomen vanwege het ontbreken van het maatschappelijke draagvlak en de negatieve invloed van het windturbinepark op de omgeving. De gronden hebben voor zover hier van belang de perceelsbestemmingen "Agrarische doeleinden (A)" en "Waterstaatswerken (WW)" en de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied", respectievelijk "Beschermde dijken".

Ingevolge artikel 23, tweede lid, onder 10, van de planvoorschriften is het college bevoegd op gronden met de gebiedsbestemming "Agrarisch gebied" - met toepassing van artikel 11 WRO - een nieuw bouwvlak toe te voegen. Verweerder heeft aan dit voorschrift goedkeuring onthouden.

Het oordeel van de Afdeling

2.8.5.    Niet in geschil is dat het plan niet voorziet in het door appellanten gewenste windturbinepark in de Eendragtpolder.

Het beleid inzake locaties voor grootschalige opwekking van windenergie, zoals verwoord in de streekplanuitwerking acht de Afdeling in het algemeen niet onredelijk. Nu de onderwerpelijke gronden een agrarische bestemming hebben, kan het agrarische gebruik ter plaatse worden voortgezet. Om te voorkomen dat zich onomkeerbare ontwikkelingen voordoen op deze gronden heeft verweerder goedkeuring onthouden aan artikel 23, tweede lid, onder 10, van de planvoorschriften. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat zich op bedoelde gronden anderszins onomkeerbare ontwikkelingen kunnen voordoen die het realiseren van een windenergieproject op deze locatie onmogelijk maken.

Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het plan in zoverre niet in strijd is met het provinciale beleid zoals verwoord in de streekplanuitwerking.

2.8.6.    Ten aanzien van het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel, overweegt de Afdeling dat appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat door of namens de gemeenteraad verwachtingen zijn gewekt dat het plan in een windturbinepark zou voorzien. Daarbij heeft de Afdeling de besluiten van 15 juli 2004 en 16 december 2004 in aanmerking genomen. De gemeenteraad heeft bij het ontbreken van een aan hem toe te rekenen toezegging, dan ook niet in strijd met het vertrouwensbeginsel besloten. Voor verweerder bestond derhalve geen aanleiding om op grond van het niet honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen door de gemeenteraad, goedkeuring aan het plan te onthouden. Het op grond van artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening genomen voorbereidingsbesluit maakt dit niet anders.

2.8.7.    Wat betreft de motivering van de gewijzigde vaststelling van het plan overweegt de Afdeling dat de gemeenteraad in beginsel bij de vaststelling van het plan daarin wijzigingen kan aanbrengen ten opzichte van het ontwerp, mits deze afwijkingen van het ontwerp naar aard en omvang niet zodanig groot zijn dat sprake is van een wezenlijk ander plan. Vaststaat dat de gemeenteraad in dit geval het plan heeft vastgesteld met een aantal wijzigingen, waaronder het weglaten van het windturbinepark. De omvang en aard van deze wijziging ten opzichte van het totale plan zijn niet zo groot dat geoordeeld zou moeten worden dat een wezenlijk ander plan voorligt.

Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat verweerder en de gemeenteraad zich niet in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat dit windturbinepark - gezien de onder 2.8.4. genoemde omvang en de daarmee samenhangende uitstraling, alsmede de landschappelijke kwaliteiten van het gebied - een ernstige aantasting van de landschappelijke waarden tot gevolg zal hebben.

Gezien het vorenstaande, alsmede gezien het ontbreken van voldoende maatschappelijke draagvlak heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een dergelijk windturbinepark ter plaatse niet passend is.

Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich eveneens in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In hetgeen appellanten hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerder in zoverre terecht goedkeuring heeft verleend aan het plan.

Het beroep van Windkracht 7 B.V. en Eneco B.V. is ongegrond.

proceskosten

2.9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van Ergotec B.V. niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellant sub 2] en Windkracht 7 B.V. en Eneco B.V. ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, Voorzitter, en mr. R.H. Lauwaars en mr. A. Kosto, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren    w.g. Tuit

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006

425.