Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0335

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
200601371/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om het bijgebouw […] op het perceel [locatie] te [plaats] terug te brengen naar de situatie zoals vergund volgens de bouwvergunning van 29 september 1987 met bijbehorende tekening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200601371/1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/865 en AWB 05/1343 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 17 januari 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Grave.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast om het bijgebouw […] op het perceel [locatie] te [plaats] terug te brengen naar de situatie zoals vergund volgens de bouwvergunning van 29 september 1987 met bijbehorende tekening.

Bij besluit van 17 februari 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 15 december 2004 heeft het college appellant bouwvergunning geweigerd voor het gedeeltelijk veranderen van het bijgebouw.

Bij besluit van 28 maart 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 januari 2006, verzonden op 18 januari 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de door appellant tegen de besluiten van 17 februari 2005 en 28 maart 2005 ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 14 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 16 februari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 26 april 2005 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2006, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. C.J. Driessen, advocaat te Beers, en het college, vertegenwoordigd door drs. A.D. Wessels, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 29 september 1987 is aan appellant bouwvergunning verleend voor de bouw van een vrijstaand bijgebouw voor gebruik als garage/berging bij het pand [locatie] te [plaats]. Na de bouw heeft appellant de garage/berging zonder bouwvergunning geschikt gemaakt voor bewoning. In de garage/berging heeft appellant een douche, keuken en woonkamer aangebracht. Daarnaast heeft appellant een aanbouw aan de garage/berging gerealiseerd, die wordt gebruikt voor de stalling van fietsen. De garage/berging heeft huisnummer […] en wordt bewoond door [partij] en haar gezin.

2.2.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

   Ingevolge artikel 5, lid A, van het bestemmingsplan 'Buitengebied 1998' is het verboden de in het plan begrepen gronden en bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de in het plan gegeven bestemming.

   Ingevolge artikel 20, lid A, van het plan is het perceel van appellant bestemd tot woondoeleinden.

   Ingevolge artikel 20, lid B, van het plan mag binnen elk op de plankaart afzonderlijk aangeduid bestemmingsvlak slechts één woning aanwezig zijn.

   Ingevolge artikel 20, lid C, van het plan wordt onder verboden gebruik van de bouwwerken als bedoeld in artikel 5 van de planvoorschriften in ieder geval begrepen het gebruik voor bewoning, voor zover het een vrijstaand bijgebouw betreft.

2.3.    De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat appellant heeft gehandeld in strijd met artikel 40, eerste lid, van de Woningwet, zodat het college terzake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4.    Eveneens juist is het oordeel van de rechtbank dat het college de door appellant gevraagde bouwvergunning voor de in en aan de garage/berging aangebrachte wijzigingen terecht heeft geweigerd. Door verbouwing van de garage/berging zijn thans twee woningen binnen het bestemmingsvlak aanwezig, hetgeen in strijd is met de bestemming. Voorts is het college niet bereid om vrijstelling te verlenen, dit om verstening in het buitengebied tegen te gaan en het risico van precedentwerking te voorkomen.

2.5.    Appellant kan niet met succes een beroep op het gebruiksovergangsrecht doen, omdat aan het gebruiksovergangsrecht geen aanspraak kan worden ontleend op het achterwege blijven van handhavend optreden tegen illegale bouw. Aan hetgeen appellant met betrekking tot het gebruiksovergangsrecht heeft aangevoerd komt, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen betekenis toe.

2.6.    Gelet op het vorenstaande bestaat er geen concreet uitzicht op legalisatie en is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van de aanschrijving afgezien had moeten worden niet gebleken.

   De slotsom moet zijn dat er geen grond is voor het oordeel dat het college niet tot handhavend optreden mocht besluiten.

   De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006

202.