Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
200600550/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 2 november 2001 heeft het College voor zorgverzekeringen (hierna: het CvZ) aan het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland (hierna: het college van gs) laten weten geen aanleiding te zien tot het honoreren van het advies van het college van gs om de gemeente Haarlem een bedrag van € 4.697.026,00 uit te keren in verband met de afdekking van de boekwaarde van het verzorgingshuis Schoterburcht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200600550/1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de gemeente Haarlem,

appellante,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05-1061 van de rechtbank Haarlem van 5 december 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het College voor zorgverzekeringen.

1.    Procesverloop

Bij brief van 2 november 2001 heeft het College voor zorgverzekeringen (hierna: het CvZ) aan het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland (hierna: het college van gs) laten weten geen aanleiding te zien tot het honoreren van het advies van het college van gs om de gemeente Haarlem een bedrag van € 4.697.026,00 uit te keren in verband met de afdekking van de boekwaarde van het verzorgingshuis Schoterburcht.

Bij brief van 10 november 2004 heeft het CvZ een verzoek van appellante om haar een voorschot op een subsidie te verlenen in verband met de afdekking van de boekwaarde van het pand waarin het verzorgingshuis Schoterburcht werd geëxploiteerd, afgewezen.

Bij brief van 3 februari 2005 heeft het CvZ naar aanleiding van de daartegen door appellante gemaakte bezwaren zijn standpunt gehandhaafd. Deze brief is aangehecht.

Bij uitspraak van 5 december 2005, verzonden op 9 december 2005, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 3 februari 2005 vernietigd, het bezwaar van appellante, voor zover gericht tegen de brief van het CvZ van 2 november 2001, niet-ontvankelijk verklaard en in zoverre bepaald dat de uitspraak treedt in de plaats van het vernietigde besluit, en ten aanzien van het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 10 november 2004 bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover deze betrekking hebben op de afwijzing van de gevraagde subsidie geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 21 maart 2006 heeft het CvZ van antwoord gediend.

Bij brief van 17 juli 2006 heeft appellante nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. H.K. Garvelink en mr. W.C. Romijn, beiden advocaat te Haarlem, en het CvZ, vertegenwoordigd door mr. J. Hallie en J. Knollema, beiden werkzaam bij het CvZ, zijn verschenen.

Voorts is verschenen het college van gs, vertegenwoordigd door mr. F.W.J. van der Steen, advocaat te Den Haag.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Overgangswet verzorgingshuizen (hierna: Owv), zoals dat luidde ten tijde hier van belang, wordt subsidie slechts verleend aan een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon die een verzorgingshuis, opgenomen in een plan, exploiteert.

   Ingevolge artikel 50 van de Owv blijven in wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten die op grond van deze wet zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, de regels van toepassing, geldende voor de inwerkintreding van hoofdstuk X. Hoofdstuk X is in werking getreden op 1 januari 2001 (Stb. 2000, 341).

2.2.    In 1991 is het verzorgingshuis Schoterburcht geprivatiseerd. Het verzorgingshuis wordt sindsdien geëxploiteerd door de stichting "Stichting Zorgcentrum Schoterburcht". De gebouwen zijn evenwel het eigendom gebleven van appellante, die ze verhuurde aan de exploiterende stichting. Op 1 juli 1998 is het verzorgingshuis Schoterburcht gesloten. Naar aanleiding van de sluiting van het verzorgingshuis heeft appellante bij brief van 27 november 1998 aan de Provincie Noord-Holland verzocht een voorschot te verstrekken op de boekwaardevergoeding.

   Bij brief van 19 december 2000 heeft het college van gs het CvZ geadviseerd de af te dekken boekwaarde, de sloopkosten en kosten bouwrijp maken aan appellante te vergoeden. Bij brief van 2 november 2001 heeft het CvZ aan het college van gs medegedeeld daarvoor geen aanleiding te zien en de subsidiëring te zullen afhandelen met de stichting "Stichting Zorgcentrum Schoterburcht".

   Bij brief van 22 september 2004 heeft appellante aan het CvZ verzocht over te gaan tot uitbetaling van het door het college van gs geadviseerde voorschot op de subsidie voor het afdekken van de boekwaarde in afwachting van de definitieve vaststelling van het te subsidiëren bedrag. Bij brief van 10 november 2004 heeft het CvZ dit verzoek afgewezen op de grond dat er geen subsidierelatie bestaat tussen het CvZ en appellante. Bij brief van 19 november 2004 heeft appellante tegen de inhoud van de brieven van 2 november 2001 en 10 november 2004 bezwaar gemaakt. Bij de door de rechtbank als beslissing op bezwaar aangemerkte brief van 3 februari 2005 heeft het CvZ zijn standpunt gehandhaafd.

2.3.    De Afdeling overweegt in de eerste plaats dat de rechtbank de brief van 2 november 2001 van het CvZ ten onrechte heeft aangemerkt als een besluit. Deze brief kan niet anders worden aangemerkt dan als een niet op rechtsgevolg gerichte reactie op een advies van het college van gs. De rechtbank heeft dan ook terecht, zij het op onjuiste gronden, geoordeeld dat voor zover het bezwaar van appellante tegen die brief is gericht, dit niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard. Hetgeen appellante tegen dit oordeel heeft aangevoerd kan reeds hierom niet slagen. De aangevallen uitspraak dient in zoverre, met verbetering van de gronden waarop zij rust, te worden bevestigd.

2.4.    Voorts moet de brief van appellante van 22 september 2004 aan het CvZ, anders dan het CvZ heeft betoogd, worden aangemerkt als een aanvraag subsidie te verlenen. De rechtbank heeft de reactie van het CvZ van 10 november 2004 op deze aanvraag terecht aangemerkt als een besluit tot afwijzing van die aanvraag en de brief van 3 februari 2005 terecht aangemerkt als de beslissing op het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 november 2004.

2.5.    De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar vernietigd, maar de rechtsgevolgen van dat besluit in stand gelaten voor zover deze betrekking hebben op de afwijzing van de gevraagde subsidie. Het hoger beroep richt zich tegen de instandlating van de rechtsgevolgen.

2.6.    Appellante betoogt dat het CvZ gehouden is tot het verlenen van de gevraagde subsidie. Het CvZ is gebonden aan de afspraken die zijn gemaakt tussen haar en het college van gs en daarom ook aan het advies van het college van gs van 19 december 2000, nu het CvZ taken van het college van gs met betrekking tot de bekostiging van verzorgingshuizen heeft overgenomen met de inwerkingtreding van de Owv, aldus appellante.

2.6.1.    Dit betoog slaagt niet. Het verzorgingstehuis Schoterburcht is op 1 juli 1998, derhalve na inwerkingtreding van de Owv op 2 oktober 1996, gesloten. Op dat moment was het college van gs niet meer bevoegd subsidie te verlenen of om enige toezegging te doen met betrekking tot de door appellante gewenste  boekwaardevergoeding. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het CvZ zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het, gelet op de dwingende formulering van artikel 4 van de Owv, slechts subsidie kan verstrekken aan een privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersoon die een verzorgingshuis exploiteert. Nu appellante het verzorgingshuis in kwestie niet (mede) exploiteerde, bestond er geen grondslag voor verstrekking van subsidie aan haar op grond van de Owv. Evenmin kan in de in de Owv opgenomen overgangsbepalingen ter zake van de intrekking van de Wet op de bejaardenoorden een grondslag worden gevonden voor het verstrekken van de door appellante gevraagde subsidie. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat geen andere beslissing mogelijk is dan een afwijzing van de subsidieaanvraag van appellante en om die reden in zoverre de rechtsgevolgen van het bij haar bestreden besluit terecht in stand gelaten.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank dient, voor zover aangevallen, te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Dallinga

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006

18-362.