Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0331

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
200510496/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: het college) aan appellant bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2006/3543

Uitspraak

200510496/1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats]

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/353 van de rechtbank

's-Gravenhage van 11 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 16 september 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: het college) aan appellant bouwvergunning verleend voor het bouwen van een bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 december 2004 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het besluit van 16 december 2003 herroepen en de bouwvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 11 november 2005, verzonden op 17 november 2005, heeft de rechtbank (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 februari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

[partij] heeft bij brief van 17 februari 2006 te kennen gegeven als partij te willen deelnemen aan het geding. Zij is daartoe op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid gesteld. Bij brief van 20 juli 2006 heeft zij een reactie ingediend, die aan de andere partijen is toegezonden.

Bij (ongedateerde) brief ingekomen op 5 april 2006 is een nader stuk ontvangen van het college. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

Bij besluit van 11 april 2006 heeft het college, gevolggevend aan de uitspraak van de rechtbank, het door [partij] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit tot verlening van de bouwvergunning in stand gelaten.

Bij brief van 12 juli 2006 is een nader stuk ontvangen van appellant. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door A. Euser, gemachtigde, en mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door A. de Vries en A.J. La Soe, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [partij], vertegenwoordigd door mr. J.J. Vermeulen, advocaat te Middelharnis.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de op het perceel gevestigde exportslachterij ten behoeve van de vestiging van een zogenoemde uitsnijderij.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bezwaar van [partij] niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, omdat zij geen belanghebbende is bij het besluit tot verlening van de bouwvergunning.

2.2.1.    Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 7:1, eerste lid, en artikel 6:4, eerste lid, van deze wet, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en vervolgens beroep instellen bij de rechtbank.

   Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2.    Het betoog van appellant slaagt. Het perceel van [partij] is op enige honderden meters van het perceel gelegen en [partij] heeft vanaf haar perceel vanwege de tussenliggende bebouwing geen zicht op de plaats waar het bouwplan is voorzien. Gebleken is dat het bouwplan een geringe verkeersaantrekkende werking tot gevolg heeft, waarbij van belang is dat het verkeer van en naar het perceel van appellant aan de [locatie], deze oprijdt respectievelijk verlaat zonder het aan die weg gelegen perceel van [partij] te passeren. Tussen partijen is niet in geschil dat het snijden en verpakken van kippenvlees niet tot geuroverlast leidt. Nu ook anderszins niet is gebleken van specifieke omstandigheden die maken dat [partij] rechtstreeks in haar belang is getroffen, kan zij niet worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.2.3.    Gelet hierop kon [partij] geen bezwaar maken tegen het besluit van 16 september 2003. De rechtbank heeft niet onderkend dat het college het bezwaar niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan een bespreking van de overige door appellant aangevoerde gronden.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van appellant gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 17 december 2004 vernietigen. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.4.    Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, in samenhang met artikel 6:24 van die wet wordt het hoger beroep mede geacht een beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 11 april 2006 in te houden.

2.4.1.    Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de grondslag aan dit met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank genomen besluit is komen te ontvallen. Het beroep tegen het besluit van 11 april 2006 is derhalve gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen.

2.5.    Het college dient op de hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 november 2005 in zaak no. 05/353;

III.    verklaart het bij de rechtbank door [partij] ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle van 17 december 2004, kenmerk 5055;

V.    verklaart het bezwaar van [partij] tegen het besluit van 16 september 2003 alsnog niet-ontvankelijk;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    verklaart het beroep van [partij] tegen het besluit van 11 april 2006 gegrond en vernietigt dit besluit;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX.    gelast dat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 690,00 (zegge: zeshonderdnegentig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump                    w.g. Klein Nulent

Voorzitter                    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006

218-275-430.