Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0330

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
200510490/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: het college) aan [appellant] bouwvergunning verleend strekkende tot aanpassing van een eerder aan appellant verleende bouwvergunning voor het bouwen van een bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200510490/1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 04/1664 van de rechtbank

's-Gravenhage van 11 november 2005 in het geding tussen:

[wederpartijen], gevestigd te [plaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 15 april 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle (hierna: het college) aan [appellant] bouwvergunning verleend strekkende tot aanpassing van een eerder aan appellant verleende bouwvergunning voor het bouwen van een bedrijfsruimte op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 3 maart 2004 heeft het college het daartegen door [wederpartijen] (hierna wederpartij) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 november 2005, verzonden op 17 november 2005, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 23 december 2005, bij de Raad van State ingekomen op 27 december 2005, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn ingediend bij brief van 25 januari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 3 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

[wederpartij] heeft bij brief van 17 februari 2006 te kennen gegeven als partij te willen deelnemen aan het geding. Zij is daartoe op grond van artikel 8:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in de gelegenheid gesteld. Bij brief van 20 juli 2006 heeft zij een reactie ingediend, die aan de andere partijen is toegezonden.

Bij besluit van 11 april 2006 heeft het college, gevolggevend aan de uitspraak van de rechtbank, het door [wederpartij] gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en het besluit tot verlening van de bouwvergunning in stand gelaten.

Bij brief van 12 juli 2006 is een nader stuk ontvangen van appellant. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door A. Euser, gemachtigde en mr. E.T. Sillevis Smitt, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door A. de Vries en A.J. La Soe, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord [wederpartij], vertegenwoordigd door mr. J.J. Vermeulen, advocaat te Middelharnis.

2.    Overwegingen

2.1.    Het bouwplan voorziet in een uitbreiding van de bedrijfsruimte op het perceel met een entree en twee doksluizen.

2.2.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bezwaar van [wederpartij] niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, omdat zij geen belanghebbende is bij het besluit tot verlening van de bouwvergunning.

2.2.1.    Ingevolge artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, in samenhang gelezen met artikel 7:1, eerste lid, en artikel 6:4, eerste lid, van deze wet, kan een belanghebbende tegen een besluit bezwaar maken bij het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen en vervolgens beroep instellen bij de rechtbank.

   Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

2.2.2.    Het betoog van appellant slaagt. Het perceel van [wederpartij] is op enige honderden meters van het perceel gelegen en [wederpartij] heeft vanaf haar perceel vanwege de tussenliggende bebouwing vrijwel geen zicht op de plaats waar het bouwplan is voorzien. Nu ook anderszins niet is gebleken van specifieke omstandigheden die maken dat [wederpartij] rechtstreeks in haar belang is getroffen, kan zij niet worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. De omstandigheid dat [wederpartij] vanaf het achterste gedeelte van haar perceel in de verte de doksluizen kan zien, is daarbij niet van belang, omdat de doksluizen niet een zodanige ruimtelijke uitstraling hebben dat [wederpartij] op grond daarvan toch als belanghebbende moet worden aangemerkt.

2.2.3.    Gelet hierop kon [wederpartij] geen bezwaar maken tegen het besluit van 15 april 2003. De rechtbank heeft niet onderkend dat het college het bezwaar niet-ontvankelijk had dienen te verklaren. Gelet hierop komt de Afdeling niet toe aan een bespreking van de overige door appellant aangevoerde gronden.

2.3.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [wederpartij] gegrond verklaren en de beslissing op bezwaar van 3 maart 2004 vernietigen. De Afdeling zal op de hierna te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.4.    Ingevolge het bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb, in samenhang met artikel 6:24 van die wet wordt het hoger beroep mede geacht een beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar van 11 april 2006 in te houden.

2.4.1.    Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de grondslag aan dit met inachtneming van de uitspraak van de rechtbank genomen besluit is komen te ontvallen. Het beroep tegen het besluit van 11 april 2006 is derhalve gegrond. De Afdeling zal dit besluit vernietigen.

2.5.    Het college dient op de hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 november 2005 in zaak no. 04/1664;

III.    verklaart het bij de rechtbank door [wederpartij] ingestelde beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle van 3 maart 2004, kenmerk 26;

V.    verklaart het bezwaar van [wederpartij] tegen het besluit van 15 april 2003 alsnog niet-ontvankelijk;

VI.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VII.    verklaart het beroep van [wederpartij] tegen het besluit van 11 april 2006 gegrond en vernietigt dit besluit;

VIII.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zevenhuizen-Moerkapelle tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IX.    gelast dat de gemeente Zevenhuizen-Moerkapelle aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 414,00 (zegge: vierhonderdveertien euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. C.H.M. van Altena, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B. Klein Nulent, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g. Klein Nulent

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006

218-275-430.