Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0328

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
200600255/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 29 november 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pelsdierenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 9 december 2005 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200600255/1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Bont voor Dieren", gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Deurne,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 29 november 2005 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een pelsdierenhouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 9 december 2005 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 5 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 16 februari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 19 mei 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en verweerder, vertegenwoordigd door ing. G.C.J.M. Verhoef, ambtenaar van de gemeente, en ing. H.A.M. Sonnemans, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, vertegenwoordigd door W.P.A.M. Verhagen, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Ter zitting heeft appellante de beroepsgrond inzake het ten onrechte niet berekenen van de geluidbelasting op een woning aan de Goorsebergweg ten oosten van de inrichting ingetrokken.

2.2.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

   Op 1 december 2005 zijn de wet van 16 juli 2005, houdende wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Stb. 2005, 432), en het besluit van 8 oktober 2005, houdende wijziging van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (Stb. 2005, 527), in werking getreden. Nu het bestreden besluit vóór 1 december 2005 is genomen, moet dit worden beoordeeld aan de hand van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wet en dit besluit.

2.3.    Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 3.466 fokteven van nertsen in een Groen-Labelstalsysteem, no. BB 94.02.013. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 20 mei 1997 krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend (hierna: de onderliggende vergunning) voor het houden van 1.768 fokteven van nertsen in een Groen-Labelstalsysteem, no. BB 94.02.013 en 732 fokteven van nertsen in een traditioneel stalsysteem.

2.4.    Appellante stelt dat onduidelijkheid bestaat over hetgeen is vergund, aangezien de aanvraag om vergunning en het akoestisch rapport van db/a consultants v.o.f. van 6 september 2005, nr. AR 9089/1 (hierna: het akoestisch rapport), die beiden blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaken van de vergunning, van elkaar afwijken. Hiertoe voert appellante aan dat de aanvraag om vergunning volgens verweerder op een aantal punten is gewijzigd, terwijl van deze wijzigingen niets blijkt uit de stukken.

2.4.1.    Uit het bestreden besluit blijkt dat de aanvraag om vergunning op 20 mei 2005 is gewijzigd, waarna hij tezamen met het bestreden besluit ter inzage is gelegd. In deze gewijzigde aanvraag wordt verwezen naar het akoestisch rapport. Nu zowel de aanvraag als het akoestisch rapport deel uitmaken van het bestreden besluit en de aanvraag en het akoestisch rapport niet van elkaar afwijken, bestaat er geen onduidelijkheid over hetgeen is vergund. De beroepsgrond mist feitelijke grondslag.

2.5.    Appellante betoogt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 6, eerste lid, en artikel 7, eerste lid, van de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav). De inrichting is namelijk gelegen in een zone van 250 meter rond een kwetsbaar gebied als bedoeld in de Wav en er doet zich, anders dan verweerder betoogt, geen uitzonderingssituatie van artikel 7, eerste lid, van de Wav voor, aldus appellante. Hiertoe voert zij aan dat verweerder in het kader van het vaststellen van de ammoniakemissie van de bij de onderliggende vergunning vergunde 732 fokteven van nertsen ten onrechte een emissiefactor van 0,58 kg NH3 heeft gehanteerd, welke behoort bij een traditioneel stalsysteem. Volgens appellante heeft de onderliggende vergunning echter betrekking op een stalsysteem dat is afgeleid van Groen-Labelstalsysteem no. BB 94.02.013, waarbij een emissiefactor van 0,25 kg NH3  behoort. Derhalve neemt de ammoniakemissie van de bij het bestreden besluit verleende vergunning toe ten opzichte van de ammoniakemissie van de onderliggende vergunning, zodat de uitzonderingssituatie van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, van de Wav zich hier niet voordoet, aldus appellante.

2.5.1.    Verweerder voert aan dat hij bij het vaststellen van de ammoniakemissie van de bij de onderliggende vergunning vergunde 732 fokteven van nertsen een emissiefactor van 0,58 kg NH3 heeft gehanteerd, omdat het hier geen Groen-Labelstalsysteem betreft. Volgens verweerder is de ammoniakemissie van de bij het bestreden besluit verleende vergunning dan ook gelijk aan de ammoniakemissie van de onderliggende vergunning, zodat de uitzondering van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, van de Wav zich voordoet en hij de vergunning terecht heeft verleend.

2.5.2.    Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wav wordt een vergunning voor het veranderen van een veehouderij geweigerd, indien de aanvraag betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en een tot de veehouderij behorend dierenverblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen in een kwetsbaar gebied, dan wel in een zone van 250 meter rond een zodanig gebied.

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Wav - voor zover hier van belang - wordt, in afwijking van artikel 6, eerste lid, de vergunning niet geweigerd, voor zover:

a.    de ammoniakemissie uit de dierenverblijven na de uitbreiding niet meer bedraagt dan de ammoniakemissie die de veehouderij voorafgaand aan de uitbreiding:

1°.    zou mogen veroorzaken indien de emissie per dierplaats gelijk zou zijn aan de maximale emissiewaarde, of

2°.    op grond van eerder verleende nog geldende vergunningen mocht veroorzaken, indien deze lager is dan de ammoniakemissie, als bedoeld onder 1°.

   Ingevolge artikel 1, derde lid, van de Wav - voor zover hier van belang - geldt voor een diercategorie waarvoor geen maximale emissiewaarde is vastgesteld, als maximale emissiewaarde de emissiefactor behorend bij het betrokken huisvestingssysteem.

2.5.3.    Niet in geschil is dat de inrichting van vergunninghouder is gelegen in een zone van 250 meter rond een kwetsbaar gebied als bedoeld in de Wav. Evenmin is in geschil dat de bij het bestreden besluit verleende vergunning betrekking heeft op een uitbreiding van het aantal dieren van een of meer diercategorieën en dat voor het houden van nertsen geen maximale emissiewaarde is vastgesteld.

   Bij het traditionele stalsysteem valt de mest en urine van de nertsen onder de kooien op de grond, alwaar het twee weken tot een half jaar blijft liggen.

   Bij Groen-Labelstalsysteem no. BB 94.02.013 wordt de mest en urine van de nertsen opgevangen in mestgoten onder de kooien. De mest en urine wordt tweemaal per dag door een schuif automatisch verwijderd en afgevoerd naar een gesloten mestopslag. Daarnaast hebben de mestgoten een rond profiel en zijn zij gemaakt van een glad, corrosiebestendig en niet-hechtend materiaal (roestvast staal of kunststof).

   Uit het deskundigenbericht blijkt dat in de bij de onderliggende vergunning vergunde situatie de 732 fokteven van nertsen waren gehuisvest in een stal, waar onder de kooien vierkante betonnen goten waren geplaatst waarin de mest en urine werd opgevangen. Hieruit werden eenmaal per dag handmatig met een bezem de mest en urine via open putten aan het eind van de goten verwijderd naar een onder deze stal gelegen opslagkelder. De goten waren uit bakstenen opgemetseld en vlak gestreken met cement. In het deskundigenbericht wordt de conclusie getrokken dat het in de lijn der verwachting ligt dat het hier gehanteerde stalsysteem een lagere ammoniakemissie heeft dan het traditionele stalsysteem. Echter, zo meldt het deskundigenbericht, vierkante betonnen goten zijn vooral in de hoeken niet goed schoon te krijgen, zodat de goten feitelijk twee keer achter elkaar schoongeveegd moeten worden om nieuwe bacterievorming en daarmee ammoniakemissie te voorkomen, hetgeen in de praktijk niet gebeurde. De conclusie van het deskundigenbericht is dat, mocht er sprake zijn geweest van een lagere ammoniakemissie dan bij het traditionele stalsysteem, de ammoniakemissie eerder overeenkwam met die van het traditionele stalsysteem dan met die van Groen-Labelstalsysteem no. BB 94.02.013. Voorts is volgens het deskundigenbericht zonder nader onderzoek een keuze voor een andere emissiefactor dan die geldt voor Groen-Labelstalsysteem no. BB 94.02.013 of voor het traditionele stalsysteem, niet te kwantificeren. Hieruit wordt in het deskundigenbericht de conclusie getrokken dat voor het vaststellen van de ammoniakemissie van de bij de onderliggende vergunning vergunde 732 fokteven van nertsen dient te worden uitgegaan van de emissiefactor die behoort bij het traditionele stalsysteem, te weten 0,58 kg NH3, mede gelet op het feit dat hier ook in de onderliggende vergunning vanuit is gegaan.

   De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze conclusies uit het deskundigenbericht. Verweerder heeft dan ook voor het vaststellen van de ammoniakemissie van de bij de onderliggende vergunning vergunde 732 fokteven van nertsen terecht de emissiefactor van 0,58 kg NH3 gehanteerd, die ook in de onderliggende vergunning was opgenomen. Op grond hiervan neemt de ammoniakemissie van het bij het bestreden besluit vergunde veebestand niet toe ten opzichte van het bij de onderliggende vergunning vergunde veebestand. Derhalve doet zich de uitzondering van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, sub 2°, van de Wav voor, zodat er voor verweerder geen aanleiding bestond om de vergunning op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wav te weigeren. De beroepsgrond treft geen doel.

2.6.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voor zover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

   Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van artikel 8.10, eerste lid, en artikel 8.11, zoals dat vóór 1 december 2005 luidde, van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.7.    Appellante stelt dat de aan de vergunning verbonden geluidvoorschriften niet kunnen worden nageleefd. Hiertoe voert zij aan dat de tractor volgens het bestreden besluit alleen overdag wordt gebruikt, terwijl volgens het akoestisch rapport de tractor ook 's avonds in gebruik is. Daarnaast is volgens appellante in het akoestisch rapport een onjuiste bedrijfsduurcorrectie toegepast. Verder is in het akoestisch rapport ten onrechte geen rekening gehouden met de in de aanvraag genoemde vijfentwintig vervoersbewegingen voor het vullen van de voersilo, aldus appellante.

2.7.1.    Verweerder heeft voor de beoordeling van de naleefbaarheid van de geluidgrenswaarden het akoestisch rapport tot uitgangspunt genomen. Hij stelt zich op basis hiervan op het standpunt dat het in werking zijn van de inrichting niet tot onaanvaardbare geluidhinder leidt.

2.7.2.    Ingevolge vergunningvoorschrift D.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) veroorzaakt door geluidbronnen binnen de inrichting ter plaatse voor drie punten op de gevels van de drie dichtstbijgelegen woningen en op vier punten in het vrije veld rondom de inrichting, op de punten zoals aangegeven in het bij deze vergunning behorende akoestisch rapport (nr. AR 9089/1) niet meer bedragen dan:

40 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode)

35 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode)

30 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode)

   Ingevolge vergunningvoorschrift D.2 mag het maximale geluidniveau (LAmax) veroorzaakt door geluidbronnen binnen de inrichting op de in voorschrift D.1 genoemde beoordelingspunten niet meer bedragen dan:

51 dB(A) tussen 07.00 en 19.00 uur (dagperiode)

46 dB(A) tussen 19.00 en 23.00 uur (avondperiode)

41 dB(A) tussen 23.00 en 07.00 uur (nachtperiode)

2.7.3.    In het deskundigenbericht wordt geconcludeerd dat het akoestisch rapport is gebaseerd op de juiste uitgangspunten. De tractor wordt, zoals appellante betoogt, ook in de avonduren gebruikt, maar hiermee is in het akoestisch rapport rekening gehouden. Tevens is de bedrijfsduurcorrectie op een juiste wijze toegepast. De gewijzigde aanvraag bevat geen gegevens over het aantal vervoersbewegingen, maar in het akoestisch rapport zijn de vervoersbewegingen ten aanzien van het vullen van de voedersilo op een juiste wijze in de berekeningen meegenomen.

   Voorts blijkt uit het deskundigenbericht dat de geluidgrenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) naleefbaar zijn, maar dat dit anders ligt ten aanzien van de geluidgrenswaarden betreffende het maximale geluidniveau (LAmax).  Verweerder heeft de geluidgrenswaarden betreffende het maximale geluidniveau (LAmax) laten aansluiten op de geluidbelasting die op de dichtstbijgelegen woningen is gemeten. De punten in het vrije veld liggen echter veel dichter bij de inrichting dan de dichtstbijgelegen woningen, zodat ter hoogte van deze punten de maximale geluidniveaus hoger zijn dan op de gevels van de woningen. Als gevolg hiervan kunnen op deze punten de geluidgrenswaarden betreffende het maximale geluidniveau (LAmax) niet worden nageleefd, zo blijkt uit het deskundigenbericht.

   De Afdeling ziet geen aanleiding om te twijfelen aan voornoemde conclusies uit het deskundigenbericht. Verweerder heeft ter zitting onweersproken gesteld, dat de in vergunningvoorschrift D.2 opgenomen geluidgrenswaarden niet nodig zijn in het belang van de bescherming van het milieu voor zover zij betrekking hebben op de vier punten in het vrije veld rondom de inrichting. Voorts heeft verweerder ter zitting aangevoerd dat hij voor wat betreft de geluidgrenswaarden in vergunningvoorschrift D.2 heeft willen aansluiten bij paragraaf 7.2 uit het akoestisch rapport, waarin alleen de omliggende woningen worden genoemd en niet de punten in het vrije veld. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit wat betreft vergunningvoorschrift D.2, voor zover in dit voorschrift wordt verwezen naar de in vergunningvoorschrift D.1 genoemde vier punten in het  vrije veld rondom de inrichting, in strijd is met het algemeen rechtsbeginsel dat een besluit zorgvuldig moet worden genomen.

2.8.    Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd voor zover de verwijzing in vergunningvoorschrift D.2 naar de in vergunningvoorschrift D.1 genoemde beoordelingsplaatsen de vier punten in het vrije veld rondom de inrichting betreft. De Afdeling merkt op dat verweerder in het licht van het vorenstaande geen nieuw besluit hoeft te nemen ten aanzien van het gedeeltelijk vernietigde vergunningvoorschrift D.2.

2.9.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Deurne van 29 november 2005, kenmerk 20 829, voor zover de verwijzing in vergunningvoorschrift D.2 naar de in vergunningvoorschrift D.1 genoemde beoordelingsplaatsen de vier punten in het vrije veld rondom de inrichting betreft;

III.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Deurne tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Deurne aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Deurne aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006

159-493.