Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AZ0317

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
18-10-2006
Zaaknummer
200602934/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 juni 2005 heeft verweerder aan appellant een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot de door hem uitgevoerde activiteiten op het perceel [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2006/4469
Omgevingsvergunning in de praktijk 2006/2426
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602934/1.

Datum uitspraak: 18 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 6 juni 2005 heeft verweerder aan appellant een last onder dwangsom opgelegd met betrekking tot de door hem uitgevoerde activiteiten op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 22 februari 2006 heeft verweerder het hiertegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 31 maart 2006, bij de rechtbank Haarlem ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. Deze brief is ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling. De gronden zijn aangevuld bij brief van 15 mei 2006.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van verweerder. Deze zijn aan de andere partij toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2006, waar appellant, vertegenwoordigd door mr. J. Witvoet, advocaat te De Bilt, en verweerder, vertegenwoordigd door T.H. van Donge en H. de Boer, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat verweerder in het onderhavige geval niet bevoegd is tot handhaving. Hij voert hiertoe aan dat geen sprake is van een inrichting, zodat geen sprake is van een overtreding van het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Besluit).

2.1.1.    Verweerder stelt dat de door appellant in zijn pand verrichte restauratiewerkzaamheden aan klassieke auto’s als bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig waren zijn aan te merken. Volgens hem is daarom sprake van een inrichting als bedoeld in de Wet milieubeheer. Verweerder stelt dat het Besluit van toepassing is op deze inrichting. Ter bepaling van de bedrijfsmatigheid van de inrichting heeft verweerder gebruik gemaakt van het werkdocument "Bepaling bedrijfsmatigheid van een hobbygarage" van de gemeente Haarlemmermeer (hierna: het werkdocument), op grond waarvan onder meer aan de hand van een inventarisatie van de aanwezige apparatuur wordt vastgesteld of sprake is van een inrichting. De bij het werkdocument behorende scoretabel kent een maximale score van 280 punten; bij een score van 85 punten of hoger wordt de activiteit als bedrijfsmatig aangemerkt.

2.1.2.    Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer wordt onder inrichting verstaan: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

2.1.3.    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting kan niet worden gesproken van een bedrijfsmatige activiteit, nu niet is gebleken van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie of van bedrijfsmatige commerciële activiteiten. Appellant heeft sinds 2001 3 à 4 oldtimers gerestaureerd in zijn werkplaats en is fulltime werkzaam als bedrijfsleider van geschenkartikelenwinkels. Hij besteedt daarnaast circa één dag per week aan de restauratiewerkzaamheden van oldtimers. Hij verricht geen werkzaamheden voor derden en heeft geen personen in dienst. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de werkzaamheden een omvang hebben als waren zij bedrijfsmatig. Gelet op het vorenstaande was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen sprake van een overtreding van het Besluit. Het door verweerder gehanteerde werkdocument en de door appellant op grond daarvan behaalde score van 125 punten maken dit niet anders. Verweerder was derhalve niet bevoegd tot het treffen van bestuurlijke handhavingsmaatregelen. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.2.    Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en het besluit van 6 juni 2005 dient te worden herroepen. De Afdeling zal bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.3.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 22 februari 2006, kenmerk I-05.19610.\bo;

I.    herroept het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer van 6 juni 2005;

II.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Haarlemmermeer aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Haarlemmermeer aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Ch.W. Mouton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Mouton    w.g. Fransen

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 oktober 2006

407-456.