Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9920

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200603258/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het rooien van 9 bomen op het perceel behorende bij het pand [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:56
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2009/91

Uitspraak

200603258/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2270 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 maart 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning verleend voor het rooien van 9 bomen op het perceel behorende bij het pand [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 13 juni 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 maart 2006, verzonden op 4 april 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 1 mei 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 23 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 1 juni 2006 heeft vergunninghouder, die in de gelegenheid is gesteld als partij aan het geding deel te nemen, een reactie ingediend.

Bij brief van 8 juni 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van het college. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 augustus 2006, waar appellant in persoon en het college, vertegenwoordigd door mr. M.G.L. Landman-Kop, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 8:56 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) worden partijen na afloop van het vooronderzoek ten minste drie weken tevoren uitgenodigd om op een in de uitnodiging te vermelden plaats en tijdstip op een zitting van de rechtbank te verschijnen.

2.2.    Appellant betoogt allereerst dat de uitspraak van de rechtbank niet rechtsgeldig tot stand is gekomen, omdat hij geen uitnodiging voor de zitting heeft ontvangen en hij derhalve ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld zijn bezwaren toe te lichten en de toelichting op het standpunt van het college te vernemen.

2.2.1.    Dit betoog treft doel. Gebleken is dat de voor appellant bestemde uitnodiging voor de op 9 maart 2006 gehouden zitting bij de rechtbank, die aan de aangevallen uitspraak is voorafgegaan, abusievelijk naar het verkeerde adres is verzonden. Nu appellant de uitnodiging niet heeft ontvangen, moet worden geoordeeld dat de rechtbank de aangevallen uitspraak heeft gedaan zonder dat was voldaan aan het bepaalde in artikel 8:56 van de Awb, waardoor appellant niet de gelegenheid heeft gehad om zijn standpunt ter zitting bij de rechtbank toe te lichten. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en derhalve dient te worden vernietigd.

2.2.2.    De zaak kan zonder terugwijzing naar de rechtbank worden afgedaan, nu deze geen nader onderzoek vereist en appellant in hoger beroep de gelegenheid is geboden om zijn zaak ten volle te bepleiten en hij alle door hem daartoe noodzakelijk geachte stukken heeft kunnen inbrengen. Ter zitting is voorts gebleken dat partijen er geen bezwaar tegen hebben dat de Afdeling zelf in de zaak voorziet.

2.3.    Ingevolge artikel 4.5.2, eerste lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening Eindhoven (hierna: de APV) is het verboden om zonder vergunning van het college een houtopstand, of een boom die op grond van een krachtens artikel 4.5.6 opgelegde verplichting is geplant, te vellen of te doen vellen.

   Ingevolge het derde lid van dit artikel mag van de vergunning als bedoeld in het eerste lid pas gebruik worden gemaakt na afloop van de bezwarentermijn. Deze termijn eindigt zes weken na datum van bekendmaking van de vergunning aan de aanvrager. Indien tegen de vergunning als bedoeld in het eerste lid een bezwaarschrift is ingediend, mag geen gebruik worden gemaakt van de vergunning, tot zes weken nadat op dat bezwaar is beslist. Indien echter gedurende deze termijn een verzoek om voorlopige voorziening bij de rechtbank is ingediend, mag geen gebruik worden gemaakt van de vergunning als bedoeld in het eerste lid totdat de rechtbank op het verzoek heeft beslist.

   Ingevolge artikel 4.5.4 van de APV kan het college de vergunning weigeren onder meer in het belang van:

- de natuur- en milieuwaarde van de houtopstand;

- de landschappelijke waarde van de houtopstand;

- de cultuurhistorische waarde van de houtopstand;

- de waarde van de houtopstand voor stads- en dorpsschoon;

- de waarden voor recreatie en leefbaarheid;

- de waarde voor de leefbaarheid van de houtopstand;

- de beeldbepalende waarde van de houtopstand.

   Ingevolge artikel 4.5.5, eerste lid, van de APV kan tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het college te geven aanwijzingen moet worden herplant.

   Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan tot de aan de vergunning te verbinden voorschriften behoren een voorschrift met betrekking tot het tijdstip waarop met de handeling waarvoor vergunning is verleend mag worden begonnen.

2.4.    Appellant heeft betoogd dat het college ten onrechte een kapvergunning heeft verleend voor een aantal bomen op het perceel aan de [locatie] te [plaats]. Hiertoe voert hij aan dat met name de achterste rij bomen op het perceel, op de vergunning aangeduid als bomen 1 tot en met 4, beeldbepalend zijn voor de groene uitstraling van het perceel. Ten gevolge van de kap van die bomen zal de groene afscheiding tussen zijn huis en de bebouwing aan de Wolvendijk verdwijnen, terwijl bij realisering van het bouwplan geen herplant op het perceel van vergunninghouder kan plaatsvinden. Voorts heeft appellant aangevoerd dat twee populieren die zich aan de voorzijde van het perceel van vergunninghouder op de openbare weg bevinden, door de uitvoering van het bouwplan zullen worden beschadigd.

2.4.1.    Niet in geschil is dat de kapvergunning geen betrekking heeft op bomen met monumentale waarde. Voorts komen de bomen niet voor op de lijst van waardevolle bomen van de landelijke Bomenstichting en zijn ze evenmin in het vigerende bestemmingsplan als waardevolle bomen aangemerkt. Blijkens het aan het besluit tot vergunningverlening ten grondslag liggende ambtelijke advies van 17 maart 2005 is de instandhouding van de onderhavige bomen niet geboden in het belang van de handhaving van de in artikel 4.5.4 van de APV genoemde waarden.

   Appellant heeft geen tegenadvies overgelegd. Mede gelet hierop heeft appellant met de enkele stelling dat in het advies van 17 maart 2005 sprake is van dennen in plaats van sparren niet aannemelijk gemaakt dat dit advies zodanige gebreken vertoont dat het college zich hierop bij het nemen van de beslissing op bezwaar niet had mogen baseren. Uit de zich in het dossier bevindende en ter zitting getoonde foto's kan weliswaar worden afgeleid dat de achterste rij bomen op het perceel van vergunninghouder, in tegenstelling tot de voorste rij, in goede conditie verkeert en appellant een groen uitzicht verschaft, maar hiermee heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat die bomen zodanig waardevol zijn dat ze beschermenswaardig moeten worden geacht en dat de kap ervan zal leiden tot een onevenredige aantasting van het groene karakter van de Loostraat en de omgeving.

   Gelet op het vorenoverwogene heeft het college het belang bij het realiseren van het bouwplan, ook al is herplant onmogelijk, in redelijkheid zwaarder kunnen laten wegen dan het belang van het behoud van de bomen en heeft het in redelijkheid kunnen besluiten de kapvergunning te verlenen.

2.4.2.    Ten aanzien van de twee populieren die zich aan de voorzijde van het perceel van vergunninghouder op de openbare weg bevinden, overweegt de Afdeling dat hetgeen appellant hieromtrent heeft aangevoerd, buiten beschouwing dient te blijven, omdat deze bomen niet in de onderhavige kapvergunning zijn betrokken en ook verder de mogelijke gevolgen van de uitvoering van het bouwplan voor deze bomen in de onderhavige procedure niet aan de orde kunnen komen.

2.5.    Ook het betoog van appellant dat de uitvoering van de kapvergunning verbonden had moeten worden aan het onherroepelijk worden van de bouwvergunning, is tevergeefs voorgedragen. Aan de kapvergunning is immers de voorwaarde verbonden dat nog geen gebruik mag worden gemaakt van de kapvergunning, zolang de bouwvergunning nog niet is verleend, dan wel indien bezwaar tegen de kapvergunning is gemaakt tot zes weken nadat het college op dat bezwaar heeft beslist, tenzij een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend. Met deze voorwaarde heeft het college op redelijke wijze aan belanghebbenden gelegenheid geboden te voorkomen dat onmiddellijk tot kap kon worden overgegaan. Overigens heeft appellant niet binnen de termijn van zes weken na de beslissing op bezwaar een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

2.6.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen verklaart de Afdeling het beroep bij de rechtbank ongegrond.

2.7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.8.    Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het griffierecht door de Secretaris van de Raad van State aan appellant wordt terugbetaald.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 24 maart 2006, AWB 05/2270;

III.    verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV.    gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 211,00 (zegge: tweehonderdelf euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Dijk    w.g. Van Meurs-Heuvel

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

85-505.