Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9919

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200603199/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 maart 2005 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) de aanvraag van appellante om subsidie voor de afbraak van 11.000 m2 glasopstanden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603199/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/1052 van de rechtbank Roermond van 8 maart 2006 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 7 maart 2005 heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: de minister) de aanvraag van appellante om subsidie voor de afbraak van 11.000 m2 glasopstanden afgewezen.

Bij besluit van 31 mei 2005 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 maart 2006, verzonden op 21 maart 2006, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 27 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 24 mei 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 22 juni 2006 heeft de minister van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. A.A.T. Stoffels, medewerker van Arvalis Juristen te Roermond, en de minister, vertegenwoordigd door drs. J.J.M. Schipper, medewerker van de Dienst Regelingen, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 1, aanhef en onder e, van de Regeling Structuurverbetering Glastuinbouw 2002 (hierna: de regeling), wordt onder glastuinbouwbedrijf verstaan het geheel van productie-eenheden in Nederland, bestaande uit een of meer gebouwen of gedeelten daarvan en daarbij horende grond, uitsluitend of onder meer dienende tot de uitoefening van de glastuinbouw.

   Ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de regeling, voor zover hier van belang, kan de minister ter verbetering van de bedrijfsstructuur van de glastuinbouwsector op aanvraag subsidie verstrekken voor afbraak van verouderde glasopstanden en bedrijfsgebouwen.

   Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de regeling, wordt een subsidie voor afbraak als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, slechts verstrekt aan de eigenaar van glasopstanden, indien hij zijn glasopstanden en, voor zover aanwezig, de daarbij behorende bedrijfsgebouwen afbreekt.

   Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de regeling, zijn de begunstigde van een subsidie als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, alsmede in geval van een natuurlijk persoon, diens echtgenoot of geregistreerde partner en in geval van een rechtspersoon diens aandeelhouders, voorts verplicht om uiterlijk een jaar nadat de minister de beschikking tot subsidieverlening heeft genomen, de bedrijfsmatige glastuinbouw definitief te staken.

2.2.    Appellante komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister artikel 5 van de regeling terecht aldus heeft uitgelegd dat als subsidievoorwaarde geldt dat een aanvrager van subsidie al zijn glasopstanden dient af te breken. Hierin kan appellante echter niet worden gevolgd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, gelet op de formulering van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de regeling en de toelichting daarop, deze uitleg juist is en strookt met de tekst in de Brochure Structuurverbetering Glastuinbouw 2002, die bij de aanvraagformulieren wordt meegezonden. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 27 maart 2001, in zaak no. 200001614/1 (aangehecht) met betrekking tot het inhoudelijk gelijkluidende artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de aan de regeling voorafgaande Regeling structuurverbetering glastuinbouw (Stcrt. 1997, no. 187), waarin is geoordeeld dat een aanvraag die niet alle in eigendom van de aanvrager zijnde glasopstanden betreft niet voldoet aan het vereiste voor verlening van subsidie neergelegd in dat artikel.

    Anders dan appellante betoogt, is het de stakende ondernemer voorts niet toegestaan opnieuw een glastuinbouwbedrijf te beginnen, ook niet door middel van de oprichting van of deelname in een rechtspersoon. Dit volgt uit artikel 13, tweede lid, van de regeling en vindt bevestiging in de toelichting op artikel 2 en 5 van de regeling, waarin is vermeld dat in overeenstemming met de Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouwsector de aanvrager van afbraaksteun zich er toe moet verplichten om de commerciële landbouwactiviteiten permanent en definitief te staken.  

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L.E.M. Wilbers-Taselaar, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom    w.g. Wilbers-Taselaar

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

71-515.