Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9917

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200602123/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 juni 2005 heeft appellant sub 1 (hierna: de staatssecretaris) aan appellante sub 2 (hierna: appellante) een bestuurlijke boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd van € 24.000.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2006, 391

Uitspraak

200602123/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

2.    de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, Kwekerij Avance B.V.,

appellanten,

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/5785 van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 maart 2006 in het geding tussen:

appellante sub 2

en

appellant sub 1.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 juni 2005 heeft appellant sub 1 (hierna: de staatssecretaris) aan appellante sub 2 (hierna: appellante) een bestuurlijke boete op grond van de Wet arbeid vreemdelingen (hierna: de Wav) opgelegd van € 24.000.

Bij besluit van 10 augustus 2005 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 2 maart 2006, verzonden op 14 maart 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de uitspraak hiervoor in zoverre in de plaats treedt, dat de boete wordt vastgesteld op € 16.000. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 maart 2006, en de staatssecretaris bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 26 april 2006, hoger beroep ingesteld. Appellante heeft haar hoger beroep aangevuld bij brief van 14 april 2006 en de staatssecretaris zijn hoger beroep bij brief van 10 mei 2006. De brieven van appellante zijn aangehecht.

Bij brief van 21 april 2006 heeft de staatssecretaris en bij brief van 2 mei 2006 heeft appellante van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2006, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. S.V. Nascimento, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, en appellante, vertegenwoordigd door mr. L.P.A. Zwijnenberg, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    In het hoger beroep van de staatssecretaris

2.2.    Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, vangt de termijn voor het indienen van een hoger-beroepschrift aan met ingang van de dag na die, waarop de aangevallen uitspraak op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

   Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, voor zover thans van belang, is een beroepschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn is ontvangen.

   Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, voor zover thans van belang, is bij verzending per post een beroepschrift tijdig ingediend, indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

   Ingevolge artikel 6:11, voor zover thans van belang, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

2.3.    In dit geval is de termijn op 15 maart 2006 aangevangen en op 25 april 2006 geëindigd. Het hoger-beroepschrift van de staatssecretaris is derhalve niet tijdig ingediend. Van voormeld faxbericht is op 27 april 2006 het origineel per post ontvangen. Dit is aldus niet later dan een week na afloop van de termijn ingekomen. Derhalve dient te worden onderzocht of het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd. Op de enveloppe, waarin het is verzonden, is geen door TPG Post aangebrachte stempel aangetroffen. Ook kan niet uit de door TPG Post aangebrachte KlantIndeX (KIX), bestaande uit een geprinte oranje barcode, worden afgeleid wanneer ter postbezorging ervan heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande en op het feit dat het hoger-beroepschrift niet daags na afloop van de termijn is binnengekomen, is er geen grond om aan te nemen dat de ter postbezorging voor het einde van de termijn heeft plaatsgevonden. De enkele stelling van de staatssecretaris dat het hoger-beroepschrift op 25 april 2006 per post is verzonden, is hiervoor niet voldoende.

2.4.    Nu voorts niet is gebleken van feiten of omstandigheden, in verband waarmee redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de staatssecretaris in verzuim is geweest, is het hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk.

2.5.    In het hoger beroep van appellante

2.6.    Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b en sub 1 van de Wav wordt onder werkgever verstaan degene die in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf een ander arbeid laat verrichten.

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, is het een werkgever verboden een vreemdeling in Nederland arbeid te laten verrichten zonder tewerkstellingsvergunning.

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, draagt de werkgever die door een vreemdeling arbeid laat verrichten bij een andere werkgever er bij de aanvang van de arbeid door de vreemdeling onverwijld zorg voor dat de werkgever bij wie de arbeid feitelijk wordt verricht een afschrift van het document, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wet op de identificatieplicht, van de vreemdeling ontvangt.

   Ingevolge artikel 15, tweede lid, stelt de werkgever die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, de identiteit van de vreemdeling vast aan de hand van het genoemde document en neemt het afschrift op in de administratie.

   Ingevolge artikel 15, vierde lid, verstrekt de vreemdeling een op hem betrekking hebbend document als bedoeld in artikel 1, onder 1˚ tot en met 3˚, van de Wet op de identificatieplicht aan de werkgever, die het afschrift van het document, bedoeld in het eerste lid, ontvangt, en stelt die werkgever in de gelegenheid een afschrift van dit document te maken.

   Ingevolge artikel 18 wordt het niet naleven van de artikelen 2, eerste lid, en 15 als beboetbaar feit aangemerkt.

   Ingevolge artikel 19a, eerste lid, legt een daartoe door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aangewezen, onder hem ressorterende ambtenaar namens hem de boete op aan degene op wie de verplichtingen rusten welke voortvloeien uit deze wet, voor zover het niet naleven daarvan is aangeduid als een beboetbaar feit.

   Ingevolge artikel 19d, eerste lid, voor zover thans van belang, is de hoogte van de boete, die voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd, indien begaan door: (…)

   b.    een rechtspersoon, gelijk aan de geldsom van ten hoogste € 45.000.

   Ingevolge beleidsregel 1 van de beleidsregels boeteoplegging Wav (Stcrt. 2004, 249) wordt bij de berekening van een boete, als bedoeld in artikel 19a, eerste lid, voor alle beboetbare feiten als uitgangspunt gehanteerd de normbedragen die zijn neergelegd in de 'Tarieflijst boetenormbedragen bestuurlijke boete Wet arbeid vreemdelingen' (hierna: de Tarieflijst), die als bijlage bij de beleidsregels is gevoegd.

   Ingevolge de Tarieflijst is het boetenormbedrag voor overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav gesteld op € 8.000.

2.7.    Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat haar van het zonder tewerkstellingsvergunning hebben laten verrichten van arbeid door [de vreemdelingen] geen verwijt kon worden gemaakt, zodat hiervoor geen boete kon worden opgelegd. Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat haar [bestuurder] heeft verklaard dat hij van de vreemdelingen originele identiteitspapieren heeft gezien.

2.7.1.    De bestuurder van appellante heeft blijkens het op ambtsbelofte door inspecteurs van de arbeidsinspectie opgemaakte boeterapport van 25 maart 2005 een tegenstrijdige verklaring afgelegd. Hoewel hij, zoals appellante stelt, enerzijds heeft verklaard dat hij van de vreemdelingen het originele identiteitsbewijs heeft gezien, heeft hij anderzijds verklaard dat hij de werknemers zonder zodanig identiteitsbewijs heeft weggestuurd, maar dat één van de vreemdelingen "er doorheen is geslipt". Voorts hebben de vreemdelingen blijkens voormeld boeterapport verklaard dat zij geen geldig origineel identiteitsbewijs aan hun werkgever hebben overhandigd. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat appellante aannemelijk heeft gemaakt dat zij de identiteit van de vreemdelingen heeft vastgesteld aan de hand van originele identiteitsdocumenten.

   Tot zodanige vaststelling was appellante ingevolge artikel 15 van de Wav wel gehouden, zodat het zonder tewerkstellingsvergunning hebben laten verrichten van arbeid door de vreemdelingen reeds gelet hierop voor haar rekening en risico komt. Dat appellante, naar zij stelt, de overgelegde identiteitsdocumenten door de Koninklijke Marechaussee heeft laten controleren, wat hier ook van zij, en afschriften in haar administratie heeft opgenomen, maakt dit niet anders.

   Het betoog faalt.

2.8.    Appellante betoogt subsidiair dat de rechtbank heeft miskend dat het opgelegde boetebedrag van € 16.000 te hoog is.

2.8.1.    Ook dit betoog faalt. De hoogte van de opgelegde boete is vastgesteld overeenkomstig de Tarieflijst. De rechtbank heeft in de door appellante gestelde omstandigheden, zoals vermeld in rechtsoverweging 2.7.1, geen grond hoeven zien hiervan af te wijken en het boetebedrag te matigen.

2.9.    Het hoger beroep van appellante is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid niet-ontvankelijk;

II.    bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink    w.g. Groeneweg

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

32-485.