Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9911

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200601391/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 februari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vlees- en rundveehouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 9 februari 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200601391/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellante sub 2], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Halderberge,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 februari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een vlees- en rundveehouderij gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 9 februari 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten sub 1 bij brief van 20 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, en appellante sub 2 bij brief van 20 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2006, beroep ingesteld. Appellante sub 2 heeft haar beroep aangevuld bij brief van 18 april 2006.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 augustus 2006, waar appellanten sub 1, in persoon en vertegenwoordigd door mr. L.P. Berg, appellante sub 2, vertegenwoordigd door [directeur] en mr. L.J. van Langevelde, advocaat te Bergen op Zoom, en verweerder, vertegenwoordigd door drs. J. A. Keij, ambtenaar van de gemeente, en ing. H. Vierhuis, werkzaam bij de regionale milieudienst West-Brabant, zijn verschenen.

Voorts is vergunninghouder, in persoon en vertegenwoordigd door mr. J. Verjans, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

2.2.    Verweerder en vergunninghouder hebben gesteld dat de beroepen van appellanten sub 1 en appellante sub 2 niet-ontvankelijk zijn voor zover deze zich keren tegen de wat stank betreft overbelaste situatie en cumulatieve stankhinder.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat vóór 1 juli 2005 luidde, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   Anders dan verweerder en vergunninghouder hebben gesteld vinden de gronden inzake de wat stank betreft overbelaste situatie en cumulatieve stankhinder wel hun grondslag in de bedenkingen van appellanten sub 1 en appellante sub 2 waarin immers is aangevoerd dat zij als gevolg van de bij het bestreden besluit verleende vergunning stankoverlast zullen ondervinden. De beroepen zijn daarom ontvankelijk.

2.3.    Bij het bestreden besluit is een revisievergunning verleend voor het houden van 38 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar, 61 stuks overig rundvee ouder dan 2 jaar, 105 vleeskoeien van 6 tot 24 maanden, 100 vleesstieren van

0 tot 6 maanden en 140 vleesstieren van 6 tot 24 maanden. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 24 oktober 1990 krachtens de Hinderwet een revisievergunning verleend voor het houden van 204 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (hierna: de onderliggende vergunning).

2.4.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.5.    Appellanten sub 1 en appellante sub 2 vrezen voor onaanvaardbare stankhinder. Zij voeren in dit verband aan dat reeds sprake is van een overbelaste situatie en dat de situatie door de bij het bestreden besluit verleende vergunning verder zal verslechteren.

2.5.1.    Verweerder heeft bij de beoordeling van de van de inrichting te duchten stankhinder de Richtlijn veehouderij en stankhinder 1996 (hierna: de Richtlijn) gehanteerd. Voor zover het de indeling in omgevingscategorieën betreft, heeft hij toepassing gegeven aan de brochure Veehouderij en Hinderwet (hierna: de brochure).

   Verweerder heeft voor het rundvee waarvoor ingevolge de Richtlijn vaste afstanden gelden en het rundvee waarvoor omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden gelden een afzonderlijke beoordeling gemaakt als bedoeld in paragraaf 2.2., onder 2 van de Richtlijn.

2.5.2.    Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat wat stank betreft geen verslechtering van de situatie ter plaatse ten opzichte van de vergunde situatie optreedt. Hij voert hiertoe aan dat, hoewel het een, met betrekking tot stank, overbelaste situatie betreft, vergunninghouder, voor zover het de bij het bestreden besluit vergunde dieren betreft waarvoor ingevolge de Richtlijn vaste afstanden gelden, over voldoende bestaande rechten beschikt om daarop vergunningverlening te kunnen baseren. Voor zover het de bij het bestreden besluit vergunde dieren betreft waarvoor in de Richtlijn omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden zijn opgenomen, wordt aan de ingevolge de Richtlijn aan te houden afstand voldaan. Gelet was er volgens verweerder geen reden om de gevraagde vergunning te weigeren.

2.5.3.    De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft onder meer betrekking op het houden van 38 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar en 61 stuks overig rundvee ouder dan 2 jaar. Voor deze diercategorie geldt op grond van de Richtlijn een vaste afstand. Bij dit veebestand dient op grond van de Richtlijn tussen de dichtst bij de inrichting gelegen woning Stoofstraat 46, waarvan niet in geschil is dat het een categorie II-object als bedoeld in de brochure betreft, en het dichtst bij die woning gelegen emissiepunt van de inrichting minimaal een afstand van 100 meter te worden aangehouden. Het dichtst bij voornoemde woning gelegen emissiepunt van de inrichting is stal 2. Vast staat dat deze stal op minder dan 100 meter van de woning Stoofstraat 46 is gelegen, zodat niet aan de ingevolge de Richtlijn minimaal aan te houden afstand kan worden voldaan. Gelet hierop is er sprake van een wat stank betreft overbelaste situatie, zodat de gevraagde vergunning slechts kon worden verleend indien vergunninghouder over voldoende bestaande rechten beschikte om vergunningverlening op te baseren.

2.5.4.    Bij veehouderijen kunnen de bestaande rechten als bedoeld in artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer, voor zover van belang voor de te veroorzaken stankhinder en in geval geen omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden beschikbaar zijn - zoals het geval is bij vrouwelijk jongvee en overig rundvee - niet worden gerelateerd aan een aantal mestvarkeneenheden, maar slechts aan het aantal vergunde dieren van die soort.

2.5.5.    Aan de onderliggende vergunning kunnen rechten worden ontleend voor het houden van 204 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. Anders dan verweerder stelt, heeft vergunninghouder geen bestaande rechten voor het houden van overig rundvee nu dit een ander soort dieren dan vrouwelijk jongvee betreft.

   Ingevolge het bestreden besluit zal het aantal te houden stuks vrouwelijk jongvee afnemen ten opzichte van de eerder vergunde situatie, maar het aantal te houden stuks overig rundvee wordt uitgebreid. Nu vergunninghouder daarvoor geen rechten kan ontlenen aan de onderliggende vergunning, treedt wat de van de inrichting te duchten stankhinder betreft voor de genoemde woning van derden in zoverre een verslechtering op ten opzichte van de situatie waarop de onderliggende vergunning betrekking heeft en die uit een oogpunt van stankhinder reeds is overbelast.

   Nu wat het rundvee waarvoor ingevolge de Richtlijn vaste afstanden gelden betreft, reeds sprake was van een overbelaste situatie en vergunninghouder niet over voldoende bestaande rechten beschikt om vergunningverlening op te kunnen baseren is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre, gelet op het door verweerder gehanteerde toetsingskader, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.5.6.    Wat betreft het rundvee waarvoor omrekeningsfactoren naar mestvarkeneenheden gelden overweegt de Afdeling als volgt. Verweerder is er, blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting, vanuit gegaan dat voor vleeskoeien ingevolge de Richtlijn vaste afstanden gelden. Blijkens de aanvraag betreft het echter rosévleeskalveren van 6 tot 24 maanden. Daarvoor gelden ingevolge de Richtlijn geen vaste afstanden. Bijlage 1 van de Richtlijn vermeldt weliswaar geen omrekeningsfactor voor rosévleeskalveren, maar, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 30 januari 2002 in zaak no. 200004312/1 (aangehecht), dient voor deze dieren de omrekeningsfactor van categorie A5.2 "vleesstieren van 6 tot 24 maanden" van de Richtlijn te worden gehanteerd. Op grond hiervan dient uit te worden gegaan van een omrekeningsfactor van 1 mestvarkeneenheid per rosévleeskalf, zodat het aantal thans vergunde rosévleeskalveren overeen komt met 105 mestvarkeneenheden.

   Gelet op het voorgaande is bij het bestreden besluit vergunning verleend voor een veebestand dat overeen komt met 105 mestvarkeneenheden plus 173,3 mestvarkeneenheden waarvan verweerder reeds was uitgegaan. Dit betekent dat het deel van het vergunde veebestand waarvoor in de Richtlijn omrekeningsfactoren zijn opgenomen, in totaal overeen komt met 278,3 mestvarkeneenheden. Bij dit veebestand dient ingevolge de Richtlijn een afstand te worden aangehouden van ongeveer 110 meter tussen de woning Stoofstraat 46 en het dichtst bij deze woning gelegen emissiepunt van het deel van de inrichting, waar dieren die kunnen worden omgerekend naar mestvarkeneenheden, worden gehouden. Vast staat dat aan deze minimaal aan te houden afstand niet wordt voldaan en dat het aantal mestvarkeneenheden toeneemt ten opzichte van de onderliggende vergunning.

   Gelet hierop kan het bestreden besluit ook in zoverre, gelet op het door verweerder gehanteerde toetsingskader, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.6.    De beroepen zijn gegrond. Aangezien het stankaspect bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd. De Afdeling laat de overige beroepsgronden buiten bespreking.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart de beroepen gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Halderberge van 3 februari 2006, kenmerk HA4V07540;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Halderberge tot vergoeding van bij appellanten sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Halderberge aan appellanten sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Halderberge tot vergoeding van bij appellante sub 2 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 669,17 (zegge: zeshonderdnegenenzestig euro en zeventien cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Halderberge aan appellante sub 2 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Halderberge aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) voor appellanten sub 1 en € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) voor appellante sub 2 vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, Voorzitter, en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld    w.g. Van Hardeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

312-492.