Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9910

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200509754/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 maart 2005 heeft verweerder het verzoek van appellante om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van de Crayenesterbasisschool op het perceel [locatie] te Heemstede afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200509754/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Heemstede,

en

het college van burgemeester en wethouders van Heemstede,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2005 heeft verweerder het verzoek van appellante om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen ten aanzien van de Crayenesterbasisschool op het perceel [locatie] te Heemstede afgewezen.

Bij besluit van 30 augustus 2005, verzonden op 6 september 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 14 oktober 2005, bij de rechtbank te Haarlem ingekomen op 14 oktober 2005, beroep ingesteld. Deze brief is ter behandeling doorgezonden naar de Afdeling.

Bij brief van 6 maart 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2006, waar appellante in persoon en bijgestaan door mr. A. Diepeveen en ing. B.D.B. Oppelaar, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A.E. Hopman, mr. drs. M.R. Staller-van der Horst en J.B. Vloo, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.        Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.

2.2.        Appellante, omwonende van de school, stelt kort gezegd dat zij in de dagperiode onacceptabele geluidhinder ondervindt van spelende kinderen op het kleuterspeelterrein. Om die reden heeft zij verweerder gevraagd op grond van het Besluit woon- en verblijfsgebouwen milieubeheer (hierna: het Besluit) handhavende maatregelen te treffen.

2.3.        Niet in geschil is dat het Besluit op de inrichting van toepassing is.

   Ingevolge voorschrift 1.1.1, aanhef en onder a, van de bijlage bij het Besluit, voor zover hier van belang, mag het equivalente geluidniveau vanwege de inrichting op de gevels van woningen niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. Het piekgeluidniveau vanwege de inrichting mag op de gevels van woningen niet meer bedragen dan 70, 65 en 60 dB(A) in de genoemde perioden.

   In voorschrift 1.1.2., aanhef en onder a, van de bijlage bij het Besluit is bepaald dat bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in voorschrift 1.1.1., buiten beschouwing blijft het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, dat onderdeel is van de inrichting, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein.

2.4.        Partijen zijn verdeeld over de vraag of het speelterrein moet worden aangemerkt als een binnenterrein, dan wel als een buitenterrein.

2.4.1.        Volgens appellante is sprake van een binnenterrein, zodat de in voorschrift 1.1.1. van het Besluit genoemde equivalente en piekgeluidgrenswaarden op de inrichting van toepassing zijn. Omdat uit akoestisch onderzoek is gebleken dat in de dagperiode de geluidgrenswaarden voor het equivalente geluidniveau en het piekgeluidniveau worden overschreden, is verweerder gehouden op grond van het Besluit handhavende maatregelen te nemen, aldus appellante. Voor haar stelling dat in dit geval sprake is van een binnenterrein voert zij aan dat het schoolplein niet is gelegen aan een straat of een andere openbare ruimte en is omsloten door bebouwing. Voorts brengt zij naar voren dat het terrein niet publiek toegankelijk is. Verder is uit een akoestisch onderzoek van 18 februari 2005 gebleken dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van het speelterrein veel lager is dan aan de voorzijde van de maatgevende woningen, aldus appellante.

2.4.2.        Verweerder stelt zich op het standpunt dat het speelterrein moet worden aangemerkt als een buitenterrein. Volgens hem grenst de woonbebouwing rondom het speelterrein niet direct aan het speelterrein en is deze niet aaneengesloten. Dat er geen sprake is van een binnenterrein wordt volgens verweerder bevestigd door de uitkomsten van het door de Milieudienst IJmond uitgevoerde akoestisch onderzoek van 10 februari 2006 naar de achtergrondwaarden van het omgevingsgeluid op diverse plaatsen rond de school. Het door appellante genoemde akoestisch onderzoek van 18 februari 2005 is volgens verweerder niet representatief, daar op dat moment sprake was van een herinrichting en een wegomlegging ter plaatse.

2.4.3.        In de Nota van Toelichting bij het Besluit wordt een buitenterrein omschreven als een voor publiek toegankelijk onbebouwd deel van de inrichting, bijvoorbeeld een tuin of schoolplein. Hierbij wordt opgemerkt dat de uitsluiting van stemgeluid afkomstig van een buitenterrein feitelijk uitsluitend geldt voor situaties waarbij het buitenterrein aan de straat of een andere openbare ruimte is gelegen. Echter indien een buitenterrein omsloten is door bebouwing zal het omgevingsgeluid doorgaans veel lager zijn. Stemgeluid van het schoolplein zal dan eerder leiden tot overlast.

2.4.4.        Voor de beantwoording van de vraag of het speelterrein dient te worden aangemerkt als een binnenterrein zijn, gelet op de Nota van Toelichting, met name de hoogte van het aldaar heersende referentieniveau van het omgevingsgeluid alsmede de mate van beslotenheid van de ligging van het speelterrein van belang, hetgeen tot uitdrukking komt in een lager referentieniveau. Indien het referentieniveau bij het speelterrein aanmerkelijk lager is dan wanneer dit deel van de inrichting aan de straat of een andere openbare ruimte zou zijn gelegen, bestaat aanleiding het stemgeluid niet uit te sluiten bij de beoordeling van de door de inrichting te veroorzaken geluidbelasting.

2.4.5.        Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het speelterrein niet is gelegen aan de straat of een andere openbare ruimte. Het terrein ligt aan de zuidzijde van de school en grenst aan de achtertuinen van omwonenden. De dichtstbijzijnde woning is gelegen op een afstand van 6 meter van het speelterrein, de omliggende woningen zijn niet geheel aaneengesloten. Een gedeelte van het schoolplein is gelegen aan een toegangspad van 40 meter, dat bij de school hoort. Het pad is zowel aan de speelterreinzijde als aan de straatzijde voorzien van een hek. Het hek aan de straatzijde wordt 's avonds en 's nachts afgesloten.

2.4.6.        In opdracht van verweerder is door de Milieudienst IJmond onderzoek gedaan naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse. De resultaten van het onderzoek dat ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit zijn neergelegd in een rapport van 18 februari 2005. In dit rapport is vastgesteld dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van het speelterrein 43 dB(A) bedraagt en ter plaatse van de voorzijde van de maatgevende woningen aan de A. Pauwlaan 51 dB(A). Verweerder stelt in het bestreden besluit weliswaar dat het werkelijke referentieniveau waarschijnlijk lager is dan het niveau waarvan is uitgegaan in het rapport van 18 februari 2005, maar deze stelling wordt niet onderbouwd door resultaten van een vervangend onderzoek naar het referentieniveau. Bij brief van 9 maart 2005 heeft de Milieudienst IJmond aangegeven dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse van de genoemde woningen aan de A. Pauwlaan 50 dB(A) zou bedragen bij een sterke daling van de verkeersintensiteit op de A. Pauwlaan. In dat geval is het referentieniveau eveneens aanmerkelijk lager.

2.4.7.        De Milieudienst IJmond heeft in 2006 nogmaals onderzoek gedaan naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid ter plaatse; de resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 februari 2006. In dit rapport wordt geconcludeerd dat een verschil van 2 dB(A) bestaat tussen het referentieniveau aan de voorzijde van de woningen langs de A. Pauwlaan en het speelterrein. Voor zover verweerder betoogt dat dit rapport zijn conclusie dat sprake is van een buitenterrein rechtvaardigt, overweegt de Afdeling in de eerste plaats dat het onderzoek dat ten grondslag ligt aan genoemd rapport is uitgevoerd na het nemen van het bestreden besluit, zodat verweerder de resultaten van dit onderzoek niet bij zijn besluitvorming heeft kunnen betrekken. In de tweede plaats betwijfelt appellante blijkens het verhandelde ter zitting of het rapport representatief is voor het referentieniveau van het omgevingsgeluid. De Afdeling is er, mede gelet op de eerdergenoemde brief van de Milieudienst IJmond van 9 maart 2005, niet van overtuigd dat het rapport representatief is voor het referentieniveau van het omgevingsgeluid ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Gezien het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende voorbereiding niet zorgvuldig kan worden geacht. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.5.        Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6.        Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Daarbij is in aanmerking genomen dat de onderhavige zaak en zaak nr. 200509753/1 moeten worden aangemerkt als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht en dat - in verband daarmee - het bedrag dat in verband met door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dient te worden vergoed, gelijkelijk over de zaken moet worden verdeeld. Het door appellante ingediende verzoek tot vergoeding van de kosten voor een door een deskundige uitgebracht rapport komt niet voor inwilliging in aanmerking, aangezien appellante in verband met de behandeling van het voorliggende beroep geen stukken heeft overgelegd die als een in haar opdracht uitgebracht deskundigenrapport kunnen worden aangemerkt. De reiskosten van de door appellante meegebrachte deskundige zijn reeds opgenomen in de proceskostenveroordeling die de Afdeling heeft uitgesproken in de uitspraak van heden in de zaak no. 200509753/1.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Heemstede van 30 augustus 2005, kenmerk 2005/16219;

III.    draagt het college van burgemeester en wethouders van Heemstede op binnen acht weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen;

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Heemstede tot vergoeding van bij appellante in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 337,37 (zegge: driehonderdzevenendertig euro en zevenendertig cent), waarvan een gedeelte groot € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Heemstede aan appellante onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Heemstede aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. W. Sorgdrager, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. Fransen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd    w.g.  Fransen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

407.