Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9904

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200602539/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2003 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) aan appellant een medische verklaring klasse I en klasse II afgegeven, de eerste verklaring - voor zover thans van belang - onder de beperking 'Valid only as or with qualified co-pilot'.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200602539/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 06/497 EN 06/496 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht van 17 maart 2006 in het geding tussen:

appellant

en

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2003 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) aan appellant een medische verklaring klasse I en klasse II afgegeven, de eerste verklaring - voor zover thans van belang - onder de beperking 'Valid only as or with qualified co-pilot'.

Bij besluit van 16 januari 2006 heeft de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (hierna: de staatssecretaris) het door appellant daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 maart 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij telefaxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 4 april 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 juni 2006 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2006, waar appellant in persoon en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. G.H.H. Bisschoff, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart is het verboden een luchtvaartuig te bedienen, zonder het daarvoor geldige bewijs van bevoegdheid of geldige bewijs van gelijkstelling.

   Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, is voor het bedienen van een Nederlands burgerluchtvaartuig het bezit vereist van een door de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) afgegeven bewijs van bevoegdheid of bewijs van gelijkstelling en dat van een geldige medische verklaring, bedoeld in artikel 2.4, afgegeven door de minister, dan wel de bevoegde autoriteit van een door hem aangewezen staat.

   Ingevolge artikel 2.4, eerste lid, geeft de minister op aanvraag zodanige medische verklaring af indien betrokkene voldoet aan de eisen van medische geschiktheid om de werkzaamheden te verrichten, waarvoor deze een bewijs van bevoegdheid of bevoegdverklaring heeft aangevraagd of is verleend.

   Ingevolge het vierde lid kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gegeven omtrent de beperkingen waaronder een medische verklaring kan worden afgegeven.

   Ingevolge artikel 2.1, vierde lid, kan de minister ontheffing verlenen van het bepaalde bij of krachtens het eerste en tweede lid van artikel 2.1, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht. Aan de ontheffing kunnen voorschriften of beperkingen worden verbonden.

   Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, geeft de minister op aanvraag een bewijs van bevoegdheid af, wanneer, voor zover thans van belang, degene die het bewijs van bevoegdheid heeft aangevraagd een geldige medische verklaring is verstrekt.

   Ingevolge artikel 30, eerste lid, van het krachtens artikel 2.4, vierde lid, van de Wet luchtvaart vastgestelde Besluit bewijzen van bevoegdheid voor de luchtvaart wordt ten behoeve van een door de minister, al dan niet onder beperkingen, af te geven medische verklaring, degene die zulk een verklaring heeft aangevraagd gekeurd door een geneeskundige of door een geneeskundige instantie.

   Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, kan de minister in ieder geval regels geven met betrekking tot de eisen van medische geschiktheid en de beperkingen waaronder de medische verklaring kan worden afgegeven.

   Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de krachtens laatst vermelde bepaling vastgestelde Regeling geneeskundige instanties, geneeskundigen en medische verklaringen voor de luchtvaart (hierna: de Regeling), voor zover thans van belang, worden de medische keuringen klasse 1, 2 en 3 uitgevoerd en de hieruit resulterende adviesrapportages aan de minister opgesteld met inachtneming van de medische eisen, voorgeschreven keuringsmethoden, voorgeschreven procedures, alsmede de eisen, gesteld aan de adviesrapportage, als bedoeld in Joint Aviation Requirements- Flight Crew Licensing (hierna: JAR-FCL) 3 subdeel B voor klasse 1.

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, voor zover thans van belang, kan de minister, al dan niet onder beperkingen, een medische verklaring klasse 1, 2 of 3 afgeven of verlengen, als voldaan is aan artikel 13, eerste lid, en de gezondheidstoestand van de aanvrager zodanig is, dat met afgifte of verlenging de veiligheid niet in gevaar kan worden gebracht.

   Ingevolge artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder j, kan de minister de beperking 'slechts geldig voor in de medische verklaring aangegeven vliegtuigtypen (OAL)' aan een af te geven of te verlengen medische verklaring verbinden.

2.2.    Appellant voert aan dat de voorzieningenrechter, door te aanvaarden dat hem wel een onbeperkte medische verklaring klasse II is verstrekt, maar geen onbeperkte medische verklaring klasse I, heeft miskend dat de veiligheid bij commerciële vluchten niet meer in geding kan zijn dan bij niet-commerciële vluchten. Voorts heeft de voorzieningenrechter volgens hem miskend dat hem op grond van artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder j, van de Regeling een ongeclausuleerde medische verklaring verstrekt zou kunnen worden, beperkt tot de lestoestellen die hij gebruikt.

2.3.    Appellant heeft een bevoegdheid voor het uitvoeren van commerciële vluchten en dient over een medische verklaring klasse I te beschikken om van de bevoegdheid gebruik te kunnen maken. In JAR-FCL 3.140, gelezen in samenhang met paragraaf 7 van Bijlage I subdeel B van de JAR-FCL, staat dat klasse I-kandidaten met een coronaire bypass-operatie, zoals appellant die heeft ondergaan, die het onderzoek succesvol afronden, beperkt worden tot uitsluitend multicrew-operaties. Klasse II-kandidaten, die het onderzoek succesvol afronden, kunnen zonder beperking als geschikt beoordeeld worden. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat het onderscheid tussen commerciële vluchten en niet-commerciële vluchten rechtstreeks uit de voormelde regelgeving voortvloeit. Dat onderscheid vindt, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, zijn grond in het uitgangspunt dat de medische eisen zwaarder zijn, naar mate de houder over verder strekkende bevoegdheden beschikt.

   Het betoog van appellant dat met de beperking OAL zijn medische verklaring beperkt zou kunnen worden tot de lestoestellen die hij gebruikt, berust op een onjuiste lezing van artikel 15, vijfde lid, aanhef en onder j, van de Regeling. Uit de tekst en de toelichting bij de JAR-FCL valt af te leiden dat de afkorting OAL ziet op louter anatomische afwijkingen en is bedoeld voor gevallen waarin het besturen van bepaalde typen vliegtuigen ondanks zodanige afwijking op veilige wijze mogelijk is. De voorzieningenrechter heeft derhalve met juistheid overwogen dat die bepaling op appellant niet van toepassing is.

   Gelet op het vorenstaande slaagt de grief niet.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. C.J.M. Schuyt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

290.