Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9899

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200601217/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: het college) appellant gelast met onmiddellijke ingang de bouw van een carport op het erf behorende bij de panden [locatie 1], [locatie 2], en [locatie 3], stil te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200601217/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/4713 van de

rechtbank 's-Gravenhage van 9 januari 2006 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 12 januari 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel (hierna: het college) appellant gelast met onmiddellijke ingang de bouw van een carport op het erf behorende bij de panden [locatie 1], [locatie 2], en [locatie 3], stil te leggen.

Bij besluit van 16 juni 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 januari 2006, verzonden op 11 januari 2006, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 13 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 14 februari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 27 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2006,

waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. drs. C.J.M. Stubenrouch, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Boere, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    De stilgelegde werkzaamheden betreffen de bouw van een carport voor de stalling van een caravan op het erf dat behoort bij de woningen met [locatie 1] en [locatie 2] en het kantoorpand [locatie 3], gelegen aan de [straat] te [plaats]. Appellant woont in pand [locatie 1]. Pand [locatie 2] is onbewoond. Van de drie panden met het bijbehorende erf is appellant eigenaar.

2.2.    Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

   Ingevolge artikel 100, derde lid, van die wet, vindt toepassing van bestuursdwang, bestaande uit het stilleggen van de werkzaamheden indien wordt gebouwd of gesloopt in strijd met de bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften, slechts plaats in bij de bouwverordening aangewezen gevallen en overeenkomstig de daarbij gegeven voorschriften.

   Ingevolge artikel 11.1, aanhef en onder a, van de gemeentelijke bouwverordening, is het college bevoegd de bouw stil te leggen indien er wordt gebouwd zonder bouwvergunning.

   Ingevolge artikel 43, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet is in afwijking van artikel 40, eerste lid, van die wet geen bouwvergunning vereist voor het bouwen dat bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als van beperkte betekenis, waarbij tevens voorschriften kunnen worden gegeven omtrent het gebruik van het bouwwerk of de standplaats.

   Ingevolge artikel 2, aanhef en onder b, van het Besluit bouwvergunningsvrije en lichtbouwvergunningplichtige bouwwerken (hierna: Bblb) wordt als bouwen van beperkte betekenis als bedoeld in artikel 43, eerste lid, onderdeel c, van de wet aangemerkt: het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van één bouwlaag of een op de grond staande overkapping van één bouwlaag bij een bestaande woning of bestaand woongebouw, dat of die strekt tot vergroting van het woongenot, mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken:

1o gebouwd op:

a) het achtererf op meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen, of

b) een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd zijerf op meer dan 1 m van het voorerf, en

c) indien de bruto-oppervlakte van het bijgebouw of de overkapping meer is dan 10 m2: meer dan 1 m van het naburige erf,

2o niet hoger dan 3 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein,

3o zij- of achtererf door dat bouwen voor niet meer dan 50% bebouwd,

4o de totale bruto-oppervlakte van de op het erf aanwezige bouwvergunningsvrije gebouwde bijgebouwen en overkappingen minder dan 30 m2.

2.3.    De rechtbank heeft overwogen dat uit het verslag van de hoorzitting en de bijbehorende stukken blijkt dat bij de behandeling van appellants bezwaarschrift over de voorwaarden neergelegd in artikel 2, aanhef en onder b, ten derde en ten vierde, van het Bblb, in het geheel niet is gesproken. Slechts de onder b, ten eerste, gestelde voorwaarde is aan de orde geweest. Verder heeft de rechtbank geconstateerd dat de Adviescommissie voor bezwaarschriften wel aan het college aanvullende informatie heeft gevraagd om aan de onder b, ten derde en ten vierde gestelde voorwaarden te kunnen toetsen, maar niet aan appellant. Evenmin is appellant op de hoogte gebracht van het door het college gegeven antwoord, noch is hij in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten alvorens advies aan het college werd uitgebracht. Het college heeft appellant daartoe evenmin gelegenheid geboden. Appellant is eerst in de motivering van de beslissing op bezwaar geconfronteerd met gronden ontleend aan deze voorwaarden. De rechtbank heeft vervolgens het beroep gegrond verklaard en de beslissing op bezwaar vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht.

   Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de carport moet worden aangemerkt als behorende bij en strekkende tot vergroting van het woongenot van de woning [locatie 1] en dat de overige op het erf aanwezige bijgebouwen en overkappingen daar om dezelfde reden eveneens aan moeten worden toegerekend. Dat betekent volgens de rechtbank, nu de totale bruto-oppervlakte van de op het erf aanwezige bouwvergunningsvrije gebouwde bijgebouwen en overkappingen, inclusief de in geding zijnde carport, 93,78 m2 bedraagt, dat niet aan het bepaalde in artikel 2, aanhef, en onder b, ten vierde, van het Bblb wordt voldaan, zodat de carport niet vergunningsvrij mag worden gebouwd.

   Vervolgens is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de beslissing op bezwaar, afgezien van de gebreken in de wijze van totstandkoming, inhoudelijk in rechte stand kan houden, in verband waarmee de rechtbank aanleiding heeft gezien om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, aangezien een nieuw genomen beslissing op bezwaar niet tot een inhoudelijke andere uitkomst zou kunnen leiden.

2.4.    Appellant heeft betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de rechtsgevolgen van de door haar vernietigde beslissing op bezwaar in stand blijven, omdat de rechtbank voor het vaststellen van de totale bruto-oppervlakte van de bijgebouwen en overkappingen is afgegaan op onjuiste metingen en tekeningen van het college en voorts dat de rechtbank de carport ten onrechte heeft aangemerkt als te behoren bij de woning [locatie 1].

2.5.    Het betoog van appellant slaagt. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak voorbij gegaan aan het betoog van appellant in beroep dat het college op basis van onjuiste informatie tot de conclusie is gekomen dat aan de voorwaarde dat de totale bruto-oppervlakte van de op het erf aanwezige bouwvergunningsvrije gebouwde bijgebouwen en overkappingen, inclusief de in geding zijnde carport, minder dan 30 m2 dient te bedragen, niet wordt voldaan. De rechtbank had hieraan uitdrukkelijk aandacht behoren te besteden, met name ook nu het hier informatie betrof waarmee appellant eerst in de beslissing op bezwaar is geconfronteerd. De rechtbank heeft haar oordeel dan ook ten onrechte gebaseerd op informatie waarvan de juistheid niet is komen vast te staan.

   Voorts is de rechtbank ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de carport moet worden aangemerkt als behorende bij en strekkende tot vergroting van het woongenot van de woning [locatie 1]. De rechtbank is tot die slotsom gekomen omdat appellant in die woning woonachtig is, de woning [locatie 2] niet wordt bewoond en het pand [locatie 3] een kantoorpand betreft. Nog daargelaten dat het college zich in de beslissing op bezwaar niet op dat standpunt heeft gesteld, valt niet uit te sluiten dat, zoals door appellant gesteld, de carport, gelet op de situering daarvan, moet worden geacht te behoren bij en strekkende tot vergroting van het woongenot van de woning [locatie 2]. Daaraan doet niet af dat die woning thans niet wordt bewoond.

2.6.    De, met beantwoording van de vraag bij welk pand de carport geacht moet worden te behoren nauw samenhangende, vraag of de carport zich op het zij- dan wel het achtererf bevindt heeft de rechtbank onbeantwoord gelaten, zodat hetgeen appellant hieromtrent naar voren heeft gebracht thans buiten beschouwing dient te blijven.

2.7.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand blijven.

   Het college dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

2.8.    Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 januari 2006, AWB 05/4713, voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van de beslissing op bezwaar in stand blijven;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nieuwerkerk aan den IJssel tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel aan appellant onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Nieuwerkerk aan den IJssel aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 207,00 (zegge: tweehonderdzeven euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g. Boot

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

202.