Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9886

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200603082/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 maart 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een rundvee- en pluimveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 16 maart 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet arbeid vreemdelingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Algemene wet bestuursrecht 3:46
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2006, 61K
Milieurecht Totaal 2006/3810
JOM 2007/248
OGR-Updates.nl 1001280
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603082/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel", gevestigd te Deurne, en de stichting "Stichting Milieufederatie Limburg", gevestigd te Maastricht,

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nederweert,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 1 maart 2006 heeft verweerder aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een rundvee- en pluimveehouderij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 16 maart 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 25 april 2006, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Bij brief van 29 juni 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van vergunninghouder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2006, waar appellante de stichting "Stichting Werkgroep Behoud de Peel", vertegenwoordigd door W.M.M. van Opbergen, en appellante de stichting "Stichting Milieufederatie Limburg", vertegenwoordigd door ir. A. Lodder, en verweerder, vertegenwoordigd door D.N.A. Kempkens-Utens, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is als partij gehoord vergunninghouder, in persoon en bijgestaan door I.D.A.M. Voncken, werkzaam bij Voncken Advies.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

2.2.    De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op een rundvee- en pluimveehouderij voor het houden van 46 zoogkoeien, 53 stuks jongvee, 46.000 ouderdieren van vleeskuikens en 2 paarden. Voor de inrichting is eerder bij besluit van 15 oktober 2002 een revisievergunning verleend. Daarnaast is op 7 januari 2004 voor de inrichting een melding als bedoeld in artikel 8.19 van de Wet milieubeheer gedaan.

2.3.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover dat zich keert tegen de begrenzing van het op circa 3.000 meter van de inrichting gelegen kwetsbare gebied als bedoeld in de Wet ammoniak en veehouderij (hierna: de Wav).

   De Afdeling stelt vast dat appellanten in hun beroepschrift geen afzonderlijke grond hebben aangevoerd die ziet op de begrenzing van voornoemd kwetsbaar gebied. Gelet hierop kan in het betoog van verweerder geen aanleiding worden gezien het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te verklaren.

2.4.    Appellanten betogen dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met de Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (Pb L 206; hierna: de Habitatrichtlijn). Volgens appellanten heeft verweerder geen zekerheid verkregen dat de onderhavige inrichting geen significante gevolgen heeft voor de kwaliteit van het in de nabijheid van de inrichting gelegen natuurgebied "Weerterbos". Hiertoe voeren appellanten aan dat verweerder heeft miskend dat de ammoniakdepositie van de inrichting in combinatie met andere plannen en projecten een overschrijding zou kunnen geven van de kritische depositiewaarde van het gebied. Verweerder heeft volgens appellanten ook ten onrechte niet onderzocht wat de kritische depositiewaarde van het natuurgebied is. In dit kader wijzen appellanten op het rapport "Stikstofgevoeligheid van de Habitatrichtlijngebieden in Nederland van maart 2004, opgesteld door Alterra, waaruit volgens hen blijkt dat in het Habitatgebied "Weerterbos", in tegenstelling tot hetgeen verweerder stelt, vegetaties voorkomen die gevoelig zijn voor eutrofiëring. Bovendien blijkt volgens appellanten uit dit rapport dat de achtergronddepositie op het natuurgebied in het jaar 2000 reeds hoger was dan de kritische depositiewaarde van het betreffende gebied en dat dit sindsdien niet of nauwelijks is afgenomen.

2.4.1.    Bij beschikking van 7 december 2004 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen (PB L 387) is het natuurgebied "Weerterbos" geplaatst op de lijst van gebieden van communautair belang, waarop gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven. Zodra een gebied op deze lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied ingevolge artikel 4, vijfde lid, van de Habitatrichtlijn, de bepalingen van artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn.

   Ingevolge artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, voor zover hier van belang, wordt voor plannen of projecten die afzonderlijk of in combinatie met andere plannen en projecten significante gevolgen kunnen hebben voor een speciale beschermingszone een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. De bevoegde instanties mogen slechts toestemming voor het plan of project geven, nadat zij de zekerheid hebben verkregen dat het de natuurlijke kenmerken van dat gebied niet zal aantasten.

   Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 7 september 2004, zaak C-127/02, gepubliceerd in JM 2004/112, volgt dat wanneer een nationale rechter moet nagaan of de toestemming voor een plan of project in de zin van artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn rechtmatig is verleend, hij kan toetsen of de door deze bepaling aan de beoordelingsmarge van de bevoegde nationale autoriteiten gestelde grenzen in acht zijn genomen, ook als de bepaling, ofschoon de daartoe gestelde termijn is verstreken, niet in de rechtsorde van de betrokken lidstaat is omgezet.

2.4.2.    In het onderhavige geval is sprake van een plan of project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van het onderhavige natuurgebied.

   Blijkens genoemd arrest dient te worden bezien of verweerder op grond van objectieve gegevens kon uitsluiten dat het plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen heeft voor het beschermde gebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende natuurgebied.

2.4.3.    Blijkens de stukken bedraagt de ammoniakemissie van het bij de onderliggende vergunning voor de inrichting vergunde veebestand 6.580,5 kg per jaar. Deze ammoniakemissie neemt met het bij het bestreden besluit vergunde veebestand toe met 4.000 kg per jaar. Dit is ter zitting door verweerder erkend. De depositie van ammoniak op het natuurgebied "Weerterbos", dat op een afstand van ongeveer 770 meter van de inrichting ligt, neemt met de thans verleende vergunning toe met 60,8 mol potentieel zuur per hectare per jaar; de inrichting zal in totaal een depositie van 160 mol veroorzaken. Verweerder acht deze toename, afgezet tegen de totale achtergronddepositie van het gebied, toelaatbaar. Bovendien voldoet de inrichting zoals aangevraagd volgens verweerder aan de beste beschikbare technieken. Gelet hierop is er volgens verweerder geen sprake van een significante toename van de ammoniakemissie die tot weigering van de gevraagde vergunning zou moeten leiden. In dit verband wijst verweerder er nog op dat als gevolg van het voor het gebied waar de inrichting in is gelegen vastgestelde reconstructieplan alsmede als gevolg van het nog in werking te treden Besluit ammoniakemissie huisvesting veehouderijen, de achtergronddepositie op onder meer het Habitatgebied "Weerterbos" zal worden verlaagd. Daarnaast ligt de inrichting niet binnen 3.000 meter van een kwetsbaar gebied als bedoeld in de Wav, aldus verweerder.

2.4.4.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 7 september 2005, in zaak no. 200409681/1, volgt dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van significante gevolgen voor het natuurgebied, afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan, dient te worden uitgegaan van de veranderingen ten opzichte van de onderliggende voor de inrichting geldende vergunningen.

2.4.5.    Verweerder heeft naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende onderzocht of de vergunde toename van de ammoniakemissie en -depositie significante gevolgen kan hebben voor het natuurgebied "Weerterbos", afgezet tegen de specifieke instandhoudingsdoelstellingen van dat gebied. Zo blijkt uit het bestreden besluit niet wat de ter plaatse van het natuurgebied "Weerterbos" reeds bestaande achtergronddepositie is. Daarnaast zijn de instandhoudingsdoelstellingen van het natuurgebied en de kritische depositiewaarden van de daarin voorkomende habitattypen niet vastgesteld.  Gelet hierop heeft verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit onvoldoende onderzocht of het onderhavige plan of project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, al dan niet significante gevolgen heeft voor het Habitatgebied "Weerterbos", afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen daarvan. De vaststelling van verweerder dat de inrichting niet binnen 3.000 meter van een kwetsbaar gebied als bedoeld in de Wav is gelegen alsmede de aanname dat de achtergronddepositie op het betreffende gebied in de toekomst zal worden verlaagd, is in dit verband onvoldoende. Daarnaast is de omstandigheid dat de inrichting zoals aangevraagd zou voldoen aan de beste beschikbare technieken in dit verband niet van belang. Verweerder heeft niet op grond van objectieve gegevens kunnen uitsluiten dat sprake is van eerder genoemde significante effecten.

   Het bestreden besluit is, gezien het vorenstaande, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht, dat eist dat het bestuursorgaan bij de voorbereiding van het besluit de nodige kennis vergaart omtrent de relevante feiten, en kan voorts, in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

2.5.    Het beroep is gegrond. Nu de beoordeling volgens de Habitatrichtlijn bepalend is voor de vraag of de vergunning kan worden verleend, komt het bestreden besluit in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Nederweert van 1 maart 2006;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Nederweert tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 37,97 (zegge: zevenendertig euro en zevenennegentig cent); het dient door de gemeente Nederweert aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Nederweert aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 281,00 (zegge: tweehonderdeenentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. J.G.C. Wiebenga, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Beekhuis    w.g. Plambeck

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

154-443.