Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9882

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200602201/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 januari 2006, kenmerk MV864, heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Koopsolid B.V." (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het houden en fokken van paarden en pony's ten behoeve van de farmaceutische industrie en voor het opslaan van voer en mest, gelegen op de percelen Ravenstraat 4 en Dijksestraat 46 te Didam. Dit besluit is op 8 februari 2006 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200602201/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Montferland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2006, kenmerk MV864, heeft verweerder aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Koopsolid B.V." (hierna: vergunninghoudster) een vergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor het houden en fokken van paarden en pony's ten behoeve van de farmaceutische industrie en voor het opslaan van voer en mest, gelegen op de percelen Ravenstraat 4 en Dijksestraat 46 te Didam. Dit besluit is op 8 februari 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 20 maart 2006, bij de Raad van State ingekomen op 21 maart 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 18 mei 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellanten. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 september 2006, waar appellanten, vertegenwoordigd door ir. A.K.M. van Hoof, en verweerder, vertegenwoordigd door J.B.T. Polman, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door R.J.G. Barthen, als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

2.2.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het enkele gronden inzake geluidhinder, alsmede de grond dat appellanten niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun bedenkingen door middel van een hoorzitting te onderbouwen, betreft.

2.3.    Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde vóór 1 juli 2005, kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

2.3.1.    Anders dan verweerder heeft gesteld, vinden alle door appellanten aangevoerde gronden inzake geluidhinder hun grondslag in de bedenkingen. In het bedenkingenschrift van 12 januari 2005 hebben appellanten in het algemeen geklaagd over geluidhinder afkomstig van de inrichting. Dat zij bij brief van 28 februari 2005 meer specifieke argumenten met betrekking tot geluidhinder hebben aangevoerd, kan hieraan niet afdoen. Het beroep is daarom in zoverre ontvankelijk.

2.3.2.    Appellanten hebben de grond dat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld om hun bedenkingen door middel van een hoorzitting toe te lichten, niet als bedenking tegen het ontwerpbesluit ingebracht. Dit kan hun echter redelijkerwijs niet worden verweten, aangezien deze grond geen betrekking heeft op het ontwerpbesluit of de procedure die daartoe heeft geleid, maar op de daarna door verweerder gevolgde procedure. Hieruit volgt dat het beroep, anders dan verweerder heeft gesteld, in zoverre ontvankelijk is.

   Vorenbedoelde grond kan echter reeds niet slagen, omdat in de kennisgeving van het ontwerpbesluit is gewezen op de mogelijkheid om binnen de bedenkingentermijn een verzoek te doen tot het houden van een hoorzitting en van een zodanig verzoek niet is gebleken. Onder die omstandigheden was verweerder niet verplicht een hoorzitting te beleggen.

2.4.    Bij het bestreden besluit is vergunning verleend voor het houden van 700 pony's ouder dan 3 jaar en 90 paarden ouder dan 3 jaar.

2.5.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.6.    Appellanten voeren aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met eisen van dierenwelzijn.

   Deze beroepsgrond heeft geen betrekking op het belang van de bescherming van het milieu in de zin van artikel 8.10 van de Wet milieubeheer en treft reeds om die reden geen doel.

2.7.    Appellanten stellen dat onvoldoende duidelijk is waar binnen de inrichting hooi en voer mag worden opgeslagen.

   Ingevolge vergunningvoorschrift 8.10 moet een kuilvoeropslag van gras of snijmaïs zijn gelegen op ten minste 25 meter afstand van een woning van derden of een gevoelig object.

   Ingevolge vergunningvoorschrift 8.19a dient de nieuw te plaatsen voersilo aan de Dijksestraat 46 geplaatst te worden nabij het aan de noordzijde van de inrichting op de bij de aanvraag ingediende tekening aangegeven nummer 15.

   De Afdeling stelt vast dat op grond van de voorschriften 8.10 en 8.19a, bezien in samenhang met de aanvraag en de daarvan deel uitmakende stukken, voldoende duidelijk is waar de opslag van hooi en voer binnen de inrichting mag plaatsvinden.

2.8.    Appellanten voeren aan dat verweerder een onjuiste categorie-indeling in de zin van de Wet stankemissie veehouderijen in landbouwontwikkelings- en verwevingsgebieden (hierna: de Wet stankemissie) heeft gehanteerd. Volgens appellanten betreft het hier een categorie II-omgeving, zodat een afstand van 100 meter in acht had moeten worden genomen.

2.8.1.    Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onderdeel b, aanhef en onder 1º, van de Wet stankemissie wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder voor stank gevoelig object categorie II verstaan: bebouwde kom of aaneengesloten woonbebouwing van beperkte omvang in een overigens agrarische omgeving.

   Ingevolge artikel 1, tweede lid, aanhef en onder c, wordt in die wet en de daarop berustende bepalingen onder voor stank gevoelig object categorie III verstaan: verspreid liggende niet-agrarische bebouwing die aan het betreffende buitengebied een overwegende woon- of recreatiefunctie verleent.

2.8.2.    Blijkens de stukken, waaronder kaartmateriaal, en het verhandelde ter zitting zijn in de directe omgeving van de inrichting verschillende burgerwoningen gelegen, welke deel uitmaken van het buurtschap "Oud-Dijk". Deze burgerwoningen zijn echter niet zodanig geconcentreerd dat sprake is van een aaneengesloten woonbebouwing als is vereist voor een categorie II-situatie. Daarbij betrekt de Afdeling dat de ligging van de woningen ten opzichte van elkaar en de wegas varieert en dat de afstand tussen de woningen soms tientallen meters of meer bedraagt. Dat op ongeveer 200 meter van de inrichting de bebouwde kom van Didam is gelegen, ontneemt voorts aan de omgeving van de inrichting niet het karakter van buitengebied, gelet op het grote aantal landbouwgronden. De Afdeling is daarom van oordeel dat verweerder de bebouwing in de directe omgeving van de inrichting terecht heeft ingedeeld in categorie III als bedoeld in de Wet stankemissie. Nu niet in geschil is dat aan de voor deze categorie vereiste afstand van 50 meter wordt voldaan, stond de Wet stankemissie niet in de weg aan verlening van de gevraagde vergunning.

2.9.    Appellanten vrezen onaanvaardbare stankhinder als gevolg van de opslag van mest in de inrichting. Volgens hen is onvoldoende duidelijk of de mestopslag moet worden afgedekt en waarheen de mest wordt afgevoerd wanneer de stallen worden gereinigd.

2.9.1.    Met betrekking tot de opslag en afvoer van mest zijn aan de vergunning de voorschriften 8.20 tot en met 8.28 verbonden. Daarin is onder meer bepaald dat mest uit de stallen moet worden afgevoerd naar de mestopslag, die, behoudens het vullen en ledigen, gesloten moet zijn. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met deze voorschriften is gewaarborgd dat zich geen onaanvaardbare stankhinder als gevolg van de opslag van mest zal voordoen.

2.10.    Appellanten vrezen onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van verkeer van en naar de inrichting. Volgens appellanten bestaat onduidelijkheid over het aantal verkeersbewegingen en de periode waarin deze plaatsvinden.

2.10.1.    In de aanvraag is het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting opgegeven. Voorts volgt uit de toelichting op de aanvraag dat het hoogseizoen, waarin de aan- en afvoer van paarden en pony's plaatsvindt, loopt van 1 april tot 1 november. Voor zover appellanten aan de juistheid van deze gegevens twijfelen, overweegt de Afdeling dat de aanvraag en de toelichting daarop blijkens het dictum van het bestreden besluit deel uitmaken van de verleende vergunning, zodat de vergunning op dit onderdeel door verweerder kan worden gehandhaafd.

   Verweerder heeft de geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting beoordeeld aan de hand van de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van 29 februari 1996. In deze circulaire, voor zover hier van belang, is een voorkeursetmaalwaarde van 50 dB(A) opgenomen bij woningen van derden. Op grond van de door verweerder uitgevoerde indicatieve geluidberekening is aannemelijk dat aan deze waarde kan worden voldaan. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet behoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare hinder van het verkeer van en naar de inrichting.

2.11.    Appellanten betogen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften ontoereikend zijn om onaanvaardbare geluidhinder vanuit de inrichting te voorkomen. Volgens hen heeft verweerder te hoge grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau vastgesteld en gelden de geluidgrenswaarden ten onrechte slechts voor 2 omliggende woningen. Bovendien is onvoldoende zeker dat de geluidvoorschriften kunnen worden nageleefd, aldus appellanten.

2.11.1.    Ingevolge het aan de vergunning verbonden voorschrift 2.1 mag het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, ter plaatse van de geluidgevoelige objecten [locaties] niet meer bedragen dan 50, 45 en 40 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

   Ingevolge voorschrift 2.2 mogen de maximale geluidniveaus, veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en de in de inrichting verrichte werkzaamheden en activiteiten, ter plaatse van de geluidgevoelige objecten [locaties] niet meer bedragen dan 70, 55 en 50 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode.

2.11.2.    Voor de beoordeling van de geluidhinder vanuit de inrichting heeft verweerder de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking) tot uitgangspunt genomen.

   In de Handreiking is bepaald dat zolang er nog geen gemeentelijke nota industrielawaai is vastgesteld - hetgeen hier het geval is -, bij het opstellen van de geluidvoorschriften gebruik moet worden gemaakt van de systematiek van richt- en grenswaarden zoals die in hoofdstuk 4 van de Handreiking zijn opgenomen. Overschrijding van deze richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Overschrijding van het referentieniveau tot een maximum etmaalwaarde van 50 dB(A) bij nieuwe bedrijven en 55 dB(A) bij bestaande bedrijven kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.

2.11.3.    Verweerder is er blijkens de considerans van het bestreden besluit van uitgegaan dat de inrichting is gelegen in een landelijke omgeving, waarvoor in de Handreiking richtwaarden zijn gegeven van 40, 35 en 30 dB(A) in respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode. De in voorschrift 2.1 vastgestelde grenswaarden overschrijden deze richtwaarden met 10 dB(A). Verweerder heeft deze overschrijding gerechtvaardigd geacht op grond van de bij de aanvraag overgelegde geluidgegevens, de door hem uitgevoerde indicatieve geluidberekening, de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de eerder voor de inrichting verleende vergunningen en het referentieniveau van het omgevingsgeluid.

   De in de voorschriften 2.1 en 2.2 opgenomen geluidgrenswaarden heeft verweerder gesteld ter plaatse van de woningen [locaties], omdat deze woningen het dichtst bij de inrichting zijn gelegen.

2.11.4.    Voor zover verweerder, gelet op de verwijzing naar de geluidgrenswaarden in de eerder voor de inrichting verleende vergunningen, heeft gemeend dat er in het onderhavige geval sprake is van bestaande rechten, overweegt de Afdeling dat bestaande rechten in de zin van artikel 8.4, derde lid, van de Wet milieubeheer gelden voor eerder vergunde activiteiten en in beginsel niet voor een in verband daarmee in een eerdere vergunning neergelegd beschermingsniveau. De eerder voor de inrichting gestelde geluidgrenswaarden kunnen derhalve op zichzelf een overschrijding van de in de Handreiking gegeven richtwaarden niet rechtvaardigen.

   De Afdeling stelt vast dat verweerder weliswaar een drietal metingen van het referentieniveau van het omgevingsgeluid heeft overgelegd, maar dat deze metingen niet zijn uitgevoerd bij de het dichtst bij de inrichting gelegen woningen. Omdat de resultaten van de metingen bovendien een verschil vertonen van enkele dB(A) en bij geen van de metingen een referentieniveau van meer dan 50 dB(A) is vastgesteld, heeft verweerder zijn standpunt dat de in voorschrift 2.1 gestelde geluidgrenswaarden kunnen worden gebaseerd op het referentieniveau van het omgevingsgeluid, onvoldoende gemotiveerd.

   De door verweerder uitgevoerde indicatieve geluidberekening doet verder vermoeden dat de inrichting kan voldoen aan de in de Handreiking voor een landelijke omgeving gegeven richtwaarden, zodat verweerder ook in zoverre onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in voorschrift 2.1 een overschrijding van deze richtwaarden met 10 dB(A) heeft toegestaan.

2.11.5.    Hier komt bij dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in de voorschriften 2.1 en 2.2 is volstaan met het vaststellen van geluidgrenswaarden voor de woningen [locaties] Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat zich ten noorden van het aan de Dijksestraat 46 gelegen gedeelte van de inrichting verschillende burgerwoningen bevinden. Aangezien aan de noordzijde van deze locatie een inrit voor tractoren en vrachtverkeer is voorzien en in verband daarmee aan deze zijde de laad- en losactiviteiten zullen plaatsvinden, is niet uitgesloten dat zich bij vorenbedoelde woningen meer geluidhinder vanuit de inrichting zal voordoen dan bij de woning [locatie], welke ten (zuid)oosten van de locatie Dijksestraat 46 is gelegen.

2.11.6.    Gezien het voorgaande is het bestreden besluit wat de toereikendheid van de geluidvoorschriften betreft in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht niet voldoende zorgvuldig voorbereid en berust het in strijd met artikel 3:46 van die wet niet op een deugdelijke motivering. De grond inzake de naleefbaarheid van de geluidvoorschriften behoeft geen bespreking.

2.12.    Het beroep is gegrond. Aangezien het geluidsaspect bepalend is voor de beantwoording van de vraag of de gevraagde vergunning kan worden verleend, dient het bestreden besluit in zijn geheel te worden vernietigd.

2.13.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Montferland van 31 januari 2006, kenmerk MV864;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Montferland tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 357,27 (zegge: driehonderdzevenenvijftig euro en zevenentwintig cent), waarvan een gedeelte groot € 322,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Montferland aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

IV.    gelast dat de gemeente Montferland aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 141,00 (zegge: honderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Van Hardeveld

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

312-462.