Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9879

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200509543/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 30 mei 2005 heeft verweerder aan appellante een vergunning verleend voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden van tijdens en na realisatie opgetreden bouw- en installatieproblemen aan en rond de gebouwen op de locatie te Bedum en daarbij, voor zover hier van belang, een indicatieve inbrengverplichting ter hoogte van € 1.196.688,00 vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200509543/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting "Stichting Zorgverlening 's-Heeren Loo", gevestigd te Amersfoort,

appellante,

en

het College bouw ziekenhuisvoorzieningen (thans: het College bouw zorginstellingen),

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2005 heeft verweerder aan appellante een vergunning verleend voor het uitvoeren van herstelwerkzaamheden van tijdens en na realisatie opgetreden bouw- en installatieproblemen aan en rond de gebouwen op de locatie te Bedum en daarbij, voor zover hier van belang, een indicatieve inbrengverplichting ter hoogte van € 1.196.688,00 vastgesteld.

Bij besluit van 10 oktober 2005 heeft verweerder het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 november 2005, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 december 2005.

Bij brief van 20 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 juli 2006 heeft verweerder een nader stuk ingediend.

Bij brief van 17 juli 2006 heeft appellante nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 augustus 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. G. van Hekesen-van Bruggen, advocaat te Amsterdam, en H.J. Prins, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. T.J.A. van Baar en drs. L.J.M. Mimpen, beiden werkzaam bij verweerder, zijn verschenen.

2.    Overwegingen    

2.1.    Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de Wet ziekenhuisvoorzieningen (vervallen per 1 januari 2006; hierna: de Wzv), zoals de wet luidde ten tijde hier van belang, wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde onder het bouwen of de bouw van een ziekenhuisvoorziening mede verstaan het uitbreiden, verbouwen of vervangen van een ziekenhuisvoorziening, het als ziekenhuisvoorziening inrichten of in gebruik nemen van een gebouw of een gedeelte van een gebouw, alsmede het wijziging brengen in de bestemming van een ziekenhuisvoorziening. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de Minister) kan deze begrippen nader omschrijven.

   Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wzv is het verboden een ziekenhuisvoorziening te bouwen zonder vergunning van het College bouw ziekenhuisvoorzieningen (hierna: het College bouw).

   Ingevolge artikel 15, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wzv,  kan een vergunning worden geweigerd indien de beoogde bouw

kan leiden tot toepassing van tarieven die hoger zijn dan in het algemeen belang verantwoord is te achten.

   Ingevolge artikel 15, vierde lid, van de Wzv kan een vergunning onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Aan een vergunning is in elk geval het voorschrift verbonden dat de eindafrekening ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het College bouw. De beperkingen en voorschriften kunnen worden gewijzigd of ingetrokken en nieuwe beperkingen en voorschriften kunnen worden gesteld.

   Ingevolge artikel 15a, eerste lid, van de Wzv stelt het College bouw bouwmaatstaven vast, inhoudende een nadere omschrijving van de in artikel 15, tweede lid, genoemde criteria.

   De Minister heeft de in artikel 1, vierde lid, van de Wzv genoemde begrippen nader omschreven in de Regeling begripsomschrijvingen Wzv (hierna: de Regeling).

   Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Regeling, voor zover en ten tijde hier van belang, wordt voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Wzv verstaan onder

a. het bouwen of de bouw: het ten behoeve van een ziekenhuisvoorziening plaatsen, aanbrengen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vergroten, vernieuwen of veranderen van een bouwwerk, het aanleggen of veranderen van tot een ziekenhuisvoorziening behorende terreinen alsmede het treffen van alle voorbereidingen daartoe;

b. onderhoud: het handhaven van een ziekenhuisvoorziening en het daartoe behorende terrein in een redelijke staat, alsmede het voorkomen van het ontstaan van schade daaraan, een en ander voor zover dit geen bouwkundige ingrepen omvat.

   Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Regeling, voor zover hier van belang, wordt met betrekking tot de categorie ziekenhuisvoorzieningen verstaan onder:

a. nieuwbouw

1. uitbreiding:

bouw, gericht op de oprichting van een nieuwe ziekenhuisvoorziening;

de uitbreiding van het aantal bedden of plaatsen ten behoeve van het verlenen van zorg als omschreven in artikel 9 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ;

2. vervanging:

bouw waarbij sprake is van een gehele of nagenoeg gehele vervanging van een ziekenhuisvoorziening of van een in bouwkundig opzicht overwegend zelfstandig deel daarvan, uitgezonderd zodanig deel dat hoofdzakelijk installatietechnische voorzieningen bevat, alsmede bouw van een in bouwkundig opzicht overwegend zelfstandig deel van een ziekenhuisvoorziening, bestemd voor bedden of plaatsen ter vervanging van bedden of plaatsen in het bestaande gebouw;

2.2.    Bij de Regeling bouwmaatstaven Wzv heeft verweerder bouwmaatstaven als bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Wzv vastgesteld.

   In bijlage 0.02 bij deze Regeling (berekeningsmethode inbrengverplichting Wzv) is, voor zover hier van belang, vermeld dat bij eigendomssituaties de normatieve inbrengverplichting bij vervangende nieuwbouw wordt bepaald op 50% van het totale investeringsbedrag, bij renovatie of herbestemming op het totale investeringsbedrag.

2.3.    In 1997 heeft de voormalige stichting "Stichting Opmaat" (hierna: Opmaat) op de locatie Bedum nieuwbouw in gebruik genomen. Na ingebruikname zijn bouwtechnische en installatieproblemen geconstateerd, waaronder lekkages en scheurvorming. In 2001 is Opmaat gefuseerd met appellante. Appellante heeft op 1 juni 2004 verweerder gevraagd een vergunning als bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder a, van de Wzv te geven met het oog op herstel van de geconstateerde bouwtechnische en installatieproblemen van het gebouw op de locatie te Bedum.

2.4.    Bij besluit van 30 mei 2005 heeft verweerder de aldus gevraagde vergunning verleend. In de vergunning heeft verweerder aan appellante een inbrengverplichting opgelegd die indicatief is vastgesteld op € 1.196.688,00, zijnde 50% van het voorlopig vastgestelde investeringsbedrag voor de herstelwerkzaamheden, omdat naar het oordeel van verweerder het project waarvoor een vergunning is gevraagd is aan te merken als een instandhoudingsproject en niet als een project voor uitbreidingsnieuwbouw of bestemmingswijziging. Bij het hier bestreden besluit heeft verweerder deze inbrengverplichting gehandhaafd.

2.5.    Appellante bestrijdt de opgelegde inbrengverplichting. Zij betoogt daartoe dat voor deze vorm van bouw op grond van de Wzv geen inbrengverplichting geldt, nu het uitvoeren van herstelwerkzaamheden waarvoor de vergunning is verleend niet kan worden aangemerkt als vervangende nieuwbouw of renovatie, maar moet worden aangemerkt als een eigenstandige vorm van bouw die buiten de in de Regeling gedefinieerde vormen van bouw valt.

2.5.1.    Het betoog slaagt niet. Voor alle vormen van instandhoudingsbouw, waaronder vervangende nieuwbouw en renovatie vallen, geldt een inbrengverplichting. De herstelwerkzaamheden waarvoor de vergunning is verleend zijn, zoals ook blijkt uit de door appellante overgelegde rapporten, bouwkundige ingrepen gericht op het herstellen van bouwkundige en functionele gebreken die na ingebruikname zijn geconstateerd. Deze herstelwerkzaamheden kunnen niet anders worden aangemerkt dan als een - tussentijdse - renovatie die noodzakelijk is voor de instandhouding van het gebouw. Dat de opbouw van instandhoudingsmiddelen is gericht op een renovatie na een gemiddelde levensduur van ongeveer twintig jaar, betekent niet dat geen sprake kan zijn van renovatiewerkzaamheden, indien deze voor het verstrijken van deze termijn moet worden uitgevoerd. De stelling van appellante dat het pand te jong is om van renovatie te kunnen spreken, kan dan ook niet worden gevolgd. Verweerder is er dan ook terecht van uitgegaan dat voor appellante een inbrengverplichting bestaat.

2.6.    Appellante betoogt voorts dat, indien moet worden geoordeeld dat zij een inbrengverplichting heeft, verweerder gehouden is af te wijken van het door hem gevoerde beleid dat een inbrengverplichting wordt opgelegd, omdat de gevolgen van het beleid wegens de bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

2.6.1.    Verweerder heeft in het bestreden besluit aangenomen dat sprake is van bijzondere omstandigheden, nu appellante reeds kort na ingebruikname van het pand is geconfronteerd met bouwkundige gebreken die herstelwerkzaamheden noodzakelijk maakten. Verweerder heeft blijkens het bestreden besluit om die reden, hoewel sprake is van renovatie, in het kader van de inbrengverplichting, de herstelwerkzaamheden aangemerkt als vervangende nieuwbouw. Hierdoor heeft appellante niet een inbrengverplichting voor het totale investeringsbedrag van het project opgelegd gekregen, zoals in geval van renovatie zoals in bijlage 0.02 is bepaald, maar een inbrengverplichting voor 50% van het investeringsbedrag. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat hij bij de toepassing van de in bijlage 0.02 neergelegde bouwmaatstaf reeds in voldoende mate rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheden van appellante, zodat er geen grond is voor het oordeel dat hij gehouden is in het geheel geen inbrengverplichting op te leggen. Dit betoog slaagt derhalve evenmin.

2.7.    Het beroep is ongegrond.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g.  Dallinga

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

18-362.