Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9874

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200508162/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 mei 2004, het bestemmingsplan "1e Herziening N201-zone" vastgesteld.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 28
Besluit luchtkwaliteit 2005
Besluit luchtkwaliteit 2005 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2006/140 met annotatie van De Vries
AB 2006, 399
Milieurecht Totaal 2006/4639
Module Ruimtelijke ordening 2006/3657

Uitspraak

200508162/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2.    [appellante sub 2], wonend te [woonplaats],

3.    [appellanten sub 3], wonend te [woonplaats],

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6.    [appellanten sub 6], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 24 juni 2004 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 24 mei 2004, het bestemmingsplan "1e Herziening N201-zone" vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 25 januari 2005, kenmerk 2004-31129, aan het gehele plan goedkeuring onthouden, uitsluitend omdat terzake van de kennisgeving van het vastgestelde plan niet aan de wettelijke eisen was voldaan.

Bij besluit van 27 januari 2005 heeft de gemeenteraad van Aalsmeer, op voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 25 januari 2005, het bestemmingsplan "1e Herziening N201-zone" opnieuw ongewijzigd vastgesteld.

Verweerder heeft bij zijn besluit van 23 augustus 2005, kenmerk 2005-10170, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief van 22 september 2005, bij de Raad van State ingekomen op 23 september 2005, [appellante sub 2] bij brief van 6 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 10 oktober 2005, [appellanten sub 3] bij brief van 4 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2005, [appellant sub 4] bij brief van 10 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 11 oktober 2005, [appellant sub 5] bij brief van 12 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2005, [appellanten sub 6], bij brief van 11 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2005, beroep ingesteld. [appellant sub 5] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 22 november 2005. [appellanten sub 6] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 7 november 2005.

Bij brief van 27 januari 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 15 mei 2006. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

Voor afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van de gemeenteraad. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van [appellanten sub 3], [appellanten sub 6] en verweerder. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 augustus 2006, waar [appellant sub 1], in persoon, [appellanten sub 3], in persoon, [appellant sub 4], in persoon en bijgestaan door mr. D. Winters, advocaat te Hoofddorp, [appellant sub 5], in persoon en bijgestaan door mr. A.P. van Delden, advocaat te Leiden, [appellanten sub 6], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Klijnstra, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door ing. D. Winters, ing. S. Jak, J.A. Oortman Gerlings en ir. J.P. van Schaik, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de gemeenteraad van Aalsmeer, vertegenwoordigd door mr. H.J.M. Besselink, advocaat te Den Haag, bijgestaan door L. van der Leij, ambtenaar van de gemeente. [appellante sub 2] is ter zitting niet verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting door [appellant sub 5] nog stukken in het geding gebracht.

Na afloop van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend. Partijen zijn alsnog in de gelegenheid gesteld te reageren op nader door verweerder op 7 augustus 2006 ingediende stukken. Hiervan is gebruik gemaakt door [appellant sub 1], [appellante sub 2], [appellant sub 5], [appellanten sub 6] en de gemeenteraad. Met toestemming van partijen is een tweede onderzoek ter zitting achterwege gebleven. De Afdeling heeft het onderzoek gesloten.

2.    Overwegingen

Overgangsrecht

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten op dit geding van toepassing blijft.

Toetsingskader

2.2.    Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerder de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft verweerder er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

   De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder de aan hem toekomende beoordelingsmarges heeft overschreden, dan wel dat hij het recht anderszins onjuist heeft toegepast.

Ontvankelijkheid

2.3.    Verweerder betoogt dat de beroepen van [appellante sub 2], [appellanten sub 3] en van [appellanten sub 6], niet-ontvankelijk zijn.

2.3.1.    In haar uitspraak van 21 september 2000, nr. 200001227/P01, (BR 2001, blz. 42) heeft de Afdeling overwogen:

"Wanneer gedeputeerde staten goedkeuring hebben onthouden aan een vastgesteld bestemmingsplan, uitsluitend omdat terzake van de terinzagelegging en de kennisgeving van het vastgestelde plan niet aan de wettelijke eisen is voldaan, verzet de wet zich er niet tegen dat de gemeenteraad dit plan onverwijld ongewijzigd opnieuw vaststelt zonder dat de wettelijke procedure ter voorbereiding van een bestemmingsplan wordt doorlopen. De reden van de onthouding van goedkeuring is immers gelegen in gebreken na de vaststelling van het plan. Ook is een vlotte voortgang van de procedure niet gebaat bij het opnieuw doorlopen van de procedure die leidt tot vaststelling van het bestemmingsplan."

2.3.2.    De Afdeling is van oordeel dat als deze situatie zich voordoet bedenkingen die zijn ingebracht tegen het bestemmingsplan waaraan goedkeuring is onthouden uit het oogpunt van rechtsbescherming dienen te worden aangemerkt als bedenkingen die zijn ingediend tegen het opnieuw ongewijzigd vastgestelde bestemmingsplan. Verweerder dient deze bedenkingen bij de besluitvorming te betrekken. Het vorenstaande doet niet af aan de mogelijkheid om tegen een aldus ongewijzigd opnieuw vastgesteld bestemmingsplan, nadat dit ter inzage is gelegd en gepubliceerd, bedenkingen in te dienen.

2.3.3.    [appellanten sub 3] en [appellanten sub 6] hebben bedenkingen ingediend tegen het op 24 juni 2004 vastgestelde bestemmingsplan. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder deze bedenkingen ten onrechte buiten beschouwing gelaten.

2.3.4.    De Afdeling stelt evenwel vast dat verweerder in het bestreden besluit, om andere reden dan naar aanleiding van de bedenkingen van appellanten, op hun bezwaren is ingegaan. Het feit dat verweerder hun bedenkingen buiten beschouwing heeft gelaten, geeft derhalve geen aanleiding voor het oordeel dat aan het besluit omtrent goedkeuring gebreken kleven.

2.4.    Gebleken is dat [appellante sub 2] geen bedenkingen heeft ingebracht tegen het op 24 juni 2004 vastgestelde bestemmingsplan. Nadat het bestemmingsplan opnieuw is vastgesteld heeft het wederom voor de duur van vier weken, van 14 februari 2005 tot en met 14 maart 2005, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze termijn konden wederom bedenkingen worden ingebracht bij het college van gedeputeerde staten.

   Appellante stelt dat zij bij brief van 11 februari 2005 van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Verweerder stelt deze brief niet te hebben ontvangen. Ter zitting is gebleken dat verweerder het gebruik heeft dat direct na binnenkomst van een bedenkingengeschrift een ontvangstbevestiging wordt verzonden. Vastgesteld wordt dat appellante geen ontvangstbevestiging van haar brief heeft overgelegd. Een tweede bedenkingengeschrift van appellante is gedateerd 23 maart 2005 en blijkens het stempel op 24 maart 2005 ingekomen bij het college van gedeputeerde staten. Deze brief is verzonden en ontvangen na afloop van de termijn. Gelet op het vorenstaande moet het er voor worden gehouden dat appellante niet binnen de in artikel 27, eerste lid, (oud) gelezen in samenhang met artikel 26 (oud) van de Wet op de Ruimtelijke Ordening gestelde termijn bedenkingen tegen het plan heeft ingebracht bij verweerder.

   Ingevolge de artikelen 54, tweede lid, onder d, (oud) en 56, tweede lid, (oud) gelezen in samenhang met artikel 27, eerste en tweede lid, (oud) van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, kan beroep slechts worden ingesteld tegen het goedkeuringsbesluit van het college van gedeputeerde staten door degene die tegen het plan tijdig bedenkingen heeft ingebracht bij het college van gedeputeerde staten.

   Dit is slechts anders, voor zover het besluit van het college van gedeputeerde staten strekt tot onthouding van goedkeuring, dan wel indien een belanghebbende aantoont dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest tijdig bedenkingen in te brengen. Geen van deze omstandigheden doet zich voor.

   Het beroep van [appellante sub 2] is mitsdien niet-ontvankelijk.

Het bestemmingsplan

2.5.    Het bestemmingsplan betreft een herziening van het bestemmingsplan "N201-zone" en heeft betrekking op het tracé van de omgelegde N201 voor zover dat is gelegen in de gemeente Aalsmeer. Voor dat tracé is in het plan de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)" opgenomen. Voorts bevat het plan, voor zover thans van belang, enkele wijzigingen van en aanvullingen op de voorschriften bij de bestemming "Uit te werken bedrijfsdoeleinden" welke is opgenomen in het bestemmingsplan "N201-zone".

Het bestreden besluit

2.6.    Verweerder heeft het plan goedgekeurd met uitzondering van een gedeelte van de gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)" in het oosten van het plangebied.

2.7.    Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het tracé op enkele onderdelen wijzigingen zal ondergaan en dat daarvoor inmiddels ook al besluiten zijn genomen. Deze besluiten kunnen in deze procedure echter niet aan de orde komen en spelen geen rol. Tegen die besluiten staan aparte rechtsmiddelen open.

Procesbelang

2.8.    Verweerder betoogt dat [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] geen procesbelang hebben bij behandeling van hun beroepen, omdat zij wonen langs het gedeelte van het tracé waaraan verweerder al goedkeuring heeft onthouden.

2.8.1.    Dit betoog faalt. Door de onthouding van goedkeuring aan het planonderdeel waartegen de inhoudelijke bezwaren van appellanten zijn gericht, is in zoverre inderdaad aan hun bezwaren tegemoetgekomen. In verband met de verplichting van de gemeenteraad ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, om met inachtneming van het besluit tot onthouding van goedkeuring een nieuw plan vast te stellen, kan echter niet slechts deze onthouding van goedkeuring zelf maar ook de hieraan ten grondslag liggende motivering in deze procedure ter beoordeling staan.

   In het navolgende vat de Afdeling het beroep van appellanten voor zover dat is gericht tegen het deel van het tracé waaraan door verweerder al goedkeuring is onthouden aldus op dat zij zich er tegen verzetten dat aan de onthouding van goedkeuring uitsluitend de in het bestreden besluit genoemde overwegingen ten grondslag zijn gelegd.

Procedure

2.9.    [appellanten sub 6] stellen in beroep onder meer dat verweerder aan het gehele plan goedkeuring had moeten onthouden, omdat na het eerste besluit omtrent goedkeuring niet de juiste procedure is doorlopen.

2.9.1.    Verweerder heeft in zijn eerste goedkeuringsbesluit aan het gehele plan goedkeuring onthouden, uitsluitend omdat terzake van de kennisgeving van het vastgestelde plan niet aan de wettelijke eisen is voldaan. Gelet hierop doet zich de situatie voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2000, nr. 200001227/P01, (BR 2001, blz. 42), zodat de gemeenteraad het bestemmingsplan onverwijld ongewijzigd opnieuw kon vaststellen. Dat tussen de eerste onthouding van goedkeuring van 25 januari 2005 en de hernieuwde ongewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan van 27 januari 2005 slechts twee dagen zijn gelegen, maakt dat niet anders.

   Het beroep van [appellanten sub 6], is in zoverre ongegrond.

2.10.    In zoverre [appellant sub 4] en [appellanten sub 3] stellen dat het college van burgemeester en wethouders ten onrechte met toepassing van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening reeds vrijstelling heeft verleend van het bestemmingsplan voordat dit is goedgekeurd en in werking getreden, overweegt de Afdeling dat deze vrijstelling in deze procedure niet aan de orde is en dat daartegen een aparte rechtsgang openstaat.

De plankaart

2.11.    Artikel II van de planvoorschriften luidt: "De plankaart behorende bij voornoemde bestemmingsplan "N201-zone", zoals deze gold op het moment van de tervisielegging van het voorliggend bestemmingsplan, blijft onverkort van toepassing voor zover deze niet overeenkomstig is met de bij deze herziening gevoegde en als zodanig gewaarmerkte plankaart voor het voorliggende bestemmingsplan "1e Herziening N201-zone"".

2.12.    De plankaart wijkt wat betreft de gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)" af van de plankaart bij het bestemmingsplan "N201-zone". Alhoewel appellanten dit gebrek niet expliciet hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding dit aspect in de beoordeling te betrekken, omdat artikel II bepaalt welke bestemming geldt op de gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)", welke bestemming wel expliciet in geding is.

   Anders dan beoogd, volgt uit artikel II van de planvoorschriften dat de plankaart van het bestemmingsplan "N201-zone" onverkort van toepassing blijft. Aangezien [appellant sub 1], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellanten sub 6], allen zijn opgekomen tegen het bestreden besluit in zoverre dat betrekking heeft op de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)" zijn deze beroepen in zoverre gegrond. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding het bestreden besluit te vernietigen voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het woord "niet" in artikel II van de planvoorschriften. Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling tevens aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan dit woord. Zij bepaalt daarbij dat de gemeenteraad in zoverre geen nieuw plan op grond van artikel 30 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening behoeft op te stellen.

De voorschriften met betrekking tot de bestemming "Uit te werken bedrijfsdoeleinden"

2.13.    [appellant sub 5] en [appellanten sub 6], stellen in beroep onder meer dat verweerder ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan de artikelen X tot en met XIII van de planvoorschriften, in zoverre daarbij de voorschriften van de bestemming "Uit te werken bedrijfsdoeleinden" worden gewijzigd of aangevuld, nu de Afdeling de goedkeuring van deze bestemming in het bestemmingsplan "N201-zone" heeft vernietigd.

Het standpunt van verweerder

2.14.    Verweerder heeft geen aanleiding gezien het plan in zoverre in strijd met een goede ruimtelijke ordening of het recht te achten en heeft het in zoverre goedgekeurd.

Vaststelling van de feiten

2.15.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.15.1.    Artikelen X-XIII van de planvoorschriften bevatten wijzigingen en aanvullingen op artikel 9 van de voorschriften van het bestemmingsplan "N201-zone", welk artikel betrekking heeft op de bestemming "Uit te werken bedrijfsdoeleinden".

2.15.2.    In haar uitspraak van 20 april 2005, nr. 200407562/1 heeft de Afdeling de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Uit te werken bedrijfsdoeleinden" in het bestemmingsplan "N201-zone" vernietigd. Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraak nog geen nieuw besluit omtrent goedkeuring genomen.

Het oordeel van de Afdeling

2.15.3.    Anders dan appellanten betogen, staat er geen rechtsregel aan in de weg dat planvoorschriften bij de herziening van een bestemmingsplan gedeeltelijk worden gewijzigd of aangevuld.

   In dit specifieke geval kan de wijziging en aanvulling van de voorschriften de rechterlijke toets echter niet doorstaan. Daarbij is van belang dat de gemeenteraad er voor heeft gekozen om de wijzigingen en aanvullingen op artikel 9 van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "N201-zone", welk artikel ziet op de bestemming "Uit te werken bedrijfsdoeleinden", op te nemen in het bestemmingsplan "1e herziening N201-zone", welk plan niet voorziet in de bestemming "Uit te werken bedrijfsdoeleinden". Ten gevolge van de vernietiging van de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Uit te werken doeleinden" in het bestemmingsplan "N201-zone", komt aan de artikelen X-XIII van de voorschriften in het bestemmingsplan "1e herziening N201-zone" geen betekenis toe, zolang genoemd plandeel niet alsnog in werking is getreden. Het is in dit geval daarom in strijd met de rechtszekerheid om een besluit tot herziening van planvoorschriften goed te keuren, alvorens die planvoorschriften zelf zijn goedgekeurd en in werking getreden.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder, door de artikelen X-XIII van de planvoorschriften goed te keuren, gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

2.15.4.        De beroepen van [appellant sub 5] en [appellanten sub 6], zijn in zoverre gegrond.

Het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)"

2.16.    Appellanten stellen in beroep dat verweerder ten onrechte gedeeltelijk goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)" en dat hij ten onrechte aan de motivering van de gedeeltelijke onthouding van goedkeuring daarvan slechts ten grondslag heeft gelegd dat voor enkele woningen ten onrechte geen hogere waarden zijn vastgesteld. Appellanten voeren daartoe het volgende aan.

Het Besluit luchtkwaliteit 2005

2.17.    [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellanten sub 6] betogen dat niet is voldaan aan het Besluit luchtkwaliteit 2005. Volgens hen is het luchtkwaliteitsonderzoek dat aan het plan ten grondslag ligt onbetrouwbaar en onvolledig en bevat het te veel onzekerheden, zodat niet aannemelijk is dat het plan per saldo daadwerkelijk leidt tot een verbetering van de luchtkwaliteit. Zij twijfelen onder meer aan de gehanteerde verkeersintensiteiten, zowel op de omgelegde N201 als op de bestaande N201 door de kern van Aalsmeer. Voorts wijzen zij er op dat de omlegging leidt tot een toename van de absolute uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. Voorts betwijfelt [appellant sub 5] of ter plaatse van zijn woning aan de grenswaarde voor zwevende deeltjes zal worden voldaan.

Het standpunt van verweerder

2.18.    Verweerder acht het plan niet in strijd met het Besluit luchtkwaliteit 2005. Volgens hem blijkt uit het TNO-rapport dat de omlegging van de N201 gunstige effecten heeft op de luchtkwaliteit, omdat het aantal personen dat wordt blootgesteld aan concentraties voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes hoger dan de grenswaarden ten opzichte van de autonome ontwikkeling sterk afneemt dan wel gelijk blijft. Aldus is volgens verweerder voldaan aan artikel 7, derde lid, onder b, van het Besluit luchtkwaliteit 2005.

Vaststelling van de feiten

2.19.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.19.1.    Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005, nemen bestuursorganen bij de uitoefening van bevoegdheden dan wel bij de toepassingen van wettelijke voorschriften die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit, de in paragraaf 2 genoemde grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in acht.

   Ingevolge artikel 7, derde lid, onder b, van het Besluit luchtkwaliteit 2005, kunnen bestuursorganen de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid, in afwijking van dat lid mede uitoefenen indien bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

2.19.2.    Het tracé van de omgelegde N201 in de gemeente Aalsmeer maakt onderdeel uit van het Masterplan N201+ dat voorziet in de verlegging van de N201 vanaf de rijksweg A4 tot voorbij Amstelhoek. In opdracht van verweerder heeft TNO onderzoek gedaan naar de gevolgen van het Masterplan N201+ voor de luchtkwaliteit. Het daarin betrokken gebied is groter dan het plangebied. Dit onderzoek heeft geresulteerd in het rapport "Effectbeoordeling (luchtkwaliteit) Masterplan N201+ en saldobenadering" van 10 augustus 2005 (hierna: het TNO-rapport). De in het onderzoek beschouwde alternatieven zijn de situatie in 2002, de autonome ontwikkeling (2010 en 2020) en de realisering van het Masterplan N201+ (2010 en 2020). In het rapport is voor deze alternatieven de totale emissie berekend en is onderzocht bij hoeveel adressen en woningen en op hoeveel hectare de maatgevende grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide zullen worden overschreden. Voor zwevende deeltjes is in het rapport als maatgevende grenswaarde gehanteerd de jaargemiddelde waarde die statistisch overeenkomt met een overschrijding van 35 maal per jaar van de vierentwintig-uurgemiddelde norm van 50 microgram per m3 en voor stikstofdioxide de jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m3. Ten slotte zijn de resultaten op kaartjes grafisch weergegeven door middel van contouren die op luchtfoto's zijn geprojecteerd.

2.19.3.    Als gevolg van het Masterplan N201+ zal de totale uitstoot van zwevende deeltjes en stikstofdioxide ten opzichte van de autonome ontwikkeling toenemen en zullen de grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide worden overschreden.

   In het rapport wordt verder geconcludeerd dat na uitvoering van het Masterplan N201+ het aantal adressen waar de maatgevende grenswaarde voor zwevende deeltjes wordt overschreden afneemt met 12 ten opzichte van de autonome ontwikkeling. Voor de jaargemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide is dit aantal 15.

   Anderzijds neemt volgens het rapport de oppervlakte van het grondgebied waar de twee maatgevende grenswaarden worden overschreden toe met respectievelijk 6% voor zwevende deeltjes en 11% voor stikstofdioxide. Dit komt met name door het langere traject van de omgelegde N201. Langs de bestaande N201 in Aalsmeer wordt de maatgevende grenswaarde voor stikstofdioxide buiten het asfalt niet meer overschreden. Wat betreft zwevende deeltjes wordt deze in het plangebied buiten het asfalt ten opzichte van de autonome ontwikkeling extra overschreden langs de Fokkerweg.

   Ten opzichte van de autonome ontwikkeling leidt realisering van het Masterplan N201+ tot een extra overschrijding van de jaargemiddelde concentratie zwevende deeltjes langs de Fokkerweg en rond de tunnelmonden.

2.19.4.    Op 7 augustus 2006 heeft verweerder een nadere toelichting op het TNO-rapport overgelegd. Hieruit blijkt dat ter plaatse van de 12 extra woningen waar de maatgevende grenswaarde voor zwevende deeltjes niet meer wordt overschreden de concentratie afneemt met 2 microgram per m3. Voor de 15 extra woningen waar de maatgevende grenswaarde voor stikstofdioxide niet meer wordt overschreden neemt de concentratie af met 5 microgram per m3.

2.19.5.    In het deskundigenbericht wordt gesteld dat in de berekeningen onder andere de ontwikkelingen die zijn voorzien in het streekplan zijn betrokken, waaronder de plannen voor de bouw van 2000 woningen ten noorden van Greenpark. Volgens het deskundigenbericht bestaat geen aanleiding te twijfelen aan de berekende verkeersintensiteiten, welke afkomstig zijn uit het Verkeersmodel N201. Volgens verweerder is ook rekening gehouden met de toename van verkeersbewegingen als gevolg van de nieuw voorziene bedrijventerreinen, waaronder Greenpark, alsook met de invloed en dynamiek van Schiphol.

   In de kern van Aalsmeer wordt in de toekomst uitgegaan van een halvering van de verkeersintensiteit op de bestaande N201 tot 16.100 motorvoertuigen per etmaal. Volgens het deskundigenbericht wordt dan net aan de grenswaarden voldaan en zal een kleinere afname van de verkeersintensiteit op de bestaande weg tot gevolg hebben dat meer woningen in de kern van Aalsmeer zullen worden blootgesteld aan een belasting boven de grenswaarden.

   Ter uitvoering van het Masterplan N201+ is tussen de betrokken overheden op 24 november 2004 de zogeheten Realisatieovereenkomst gesloten. In die overeenkomst is bepaald dat de bestaande N201 door de gemeenten Aalsmeer en Uithoorn zal worden heringericht waarbij doorgaand verkeer zonder lokale bestemming zoveel mogelijk zal worden geweerd. De gemeenten zullen daartoe nog nader uit te werken voorzieningen aanbrengen. In ieder geval zal het bestaande tracé worden afgewaardeerd van een weg met tweemaal twee rijstroken naar een weg met tweemaal één rijstrook welke uitsluitend bestemd is voor bestemmingsverkeer met een maximumsnelheid van 50 km per uur.

2.19.6.    De invloed van de emissies van het vliegverkeer op Schiphol zijn volgens het TNO-rapport opgenomen in de door het RIVM ter beschikking gestelde achtergrondconcentraties en zijn aldus in de berekening betrokken.

2.19.7.    In het TNO-rapport is geen rekening gehouden met het Regionaal Actieplan N201+ 2005. Dit betreft een bundeling van gemeentelijke actieplannen luchtkwaliteit die zijn vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de betrokken gemeenten. Evenmin is rekening gehouden met het zogeheten september-pakket van het Rijk, noch met het Provinciaal Actieplan Luchtkwaliteit 2005, op 23 augustus 2005 vastgesteld door verweerder, en het luchtkwaliteitplan van de gemeente Aalsmeer van 10 november 2005.

Het oordeel van de Afdeling

2.20.    Niet in geding is dat niet wordt voldaan aan artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005, noch aan het derde lid, onder a, van die bepaling. Aan de orde is derhalve de vraag of is voldaan aan artikel 7, derde lid, onder b, van het Besluit luchtkwaliteit 2005. Of dat het geval is, moet worden beoordeeld aan de hand van de relevante factoren, waaronder in ieder geval de concentraties van de stoffen ter plaatse van de verslechtering en de verbetering, het gebied waarvoor een overschrijding is vastgesteld, het gebied waarop de verbetering betrekking heeft en het aantal blootgestelden dat door de verslechtering en verbetering wordt geraakt.

2.21.    Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat in het TNO-rapport is uitgegaan van onjuiste of onvolledige verkeersgegevens. Gelet op het deskundigenbericht en de toelichting op het rapport die verweerder ter zitting heeft gegeven, is aannemelijk geworden dat met alle relevante ontwikkelingen in de regio rekening is gehouden. Anders dan appellanten betogen, kan er voorts van worden uitgegaan dat het TNO-rapport is gebaseerd op het Verkeersmodel N201. Weliswaar bevindt zich in het dossier een stuk met de titel "Verkeersmodel N201" dat dateert van na het bestreden besluit, maar dit betreft slechts een overzicht van de verkeersgegevens die ten grondslag hebben gelegen aan diverse delen van het Masterplan N201+. Uit bijlage 1 bij dat stuk blijkt dat verweerder al veel langer over het verkeersmodel beschikt en dat dit ook is gebruikt bij het opstellen van het milieueffectrapport voor de omlegging van de N201. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit verkeersmodel zodanige gebreken vertoont dat de uitkomsten daarvan in redelijkheid niet aan het TNO-rapport ten grondslag konden worden gelegd. Evenmin is aannemelijk dat de bijdrage van het vliegverkeer van Schiphol niet of niet volledig in de berekeningen is meegenomen.

2.21.1.    Ten aanzien van het betoog van appellanten dat het TNO-model zelf te veel onzekerheden bevat, overweegt de Afdeling dat modellen uit de aard van de zaak altijd een abstractie van de werkelijkheid zijn. De validiteit van een model wordt aangetast wanneer de berekeningen op basis van een model te zeer afwijken van de werkelijkheid. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich in dit geval voordoet. In het TNO-rapport zelf is weliswaar gewezen op onzekerheden in zowel de invoergegevens als in het verspreidingsmodel zelf, maar de Afdeling acht voldoende aannemelijk gemaakt dat het aantal adressen waar de maatgevende grenswaarden voor zwevende deeltjes en stikstofdioxide wordt overschreden vermindert ten opzichte van de autonome ontwikkeling.

   Weliswaar is het aantal extra adressen waar de maatgevende grenswaarden na realisering van de N201 niet meer worden overschreden beperkt, maar het is aannemelijk dat dit aantal extra adressen zal worden bereikt. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat op grond van figuur 4 bij de nadere toelichting op het TNO-rapport moet worden aangenomen dat ook ter plaatse van de woning van [appellant sub 5] aan de maatgevende grenswaarde voor zwevende deeltjes wordt voldaan.

   Gelet op de Realisatieovereenkomst is voorts voldoende aannemelijk dat de gestelde halvering van de verkeersintensiteit op de bestaande N201 daadwerkelijk zal worden gerealiseerd. Ter zitting is door de gemeenteraad toegelicht dat herinrichting van de bestaande weg direct nadat de omlegging is verwezenlijkt ter hand zal worden genomen en dat naast de maatregelen genoemd in de Realisatieovereenkomst zal worden voorzien in een zogeheten 'knip'. Voor zover in verband met deze afsluiting van de bestaande N201 sprake zou zijn van de aanleg van de zogeheten Noordvork, overweegt de Afdeling dat dit nog niet concreet is en dat daarover nog geen planologische besluitvorming heeft plaatsgevonden, zodat verweerder daarmee in dit geval geen rekening heeft behoeven te houden.

   Gelet op het vorenstaande en gelet op de voorgenomen maatregelen in de verschillende luchtkwaliteitplannen waarmee in het TNO-rapport geen rekening is gehouden, heeft verweerder er op grond van de uitkomsten van het dit rapport in redelijkheid van uit kunnen gaan dat na realisering van de nieuwe N201 minder adressen zullen worden blootgesteld aan overschrijding van de maatgevende grenswaarden.

2.21.2.    Uit het vorenstaande volgt dat verweerder de relevante factoren heeft onderzocht en heeft gewogen. Verweerder heeft daarbij in redelijkheid een zwaarder gewicht kunnen toekennen aan de afname van het aantal adressen waar de maatgevende grenswaarden worden overschreden dan aan de toename van het aantal hectaren waar een nieuwe overschrijding ontstaat, nu daar veel minder personen aan de nieuwe overschrijdingen worden blootgesteld dan het aantal personen dat in de kern van Aalsmeer langs het bestaande tracé van overschrijdingen verschoond zal blijven. Daarbij heeft te gelden dat ook indien de absolute uitstoot van luchtverontreinigende stoffen toeneemt, door een betere spreiding van de concentraties sprake kan zijn van een verbetering van de luchtkwaliteit.

   Gelet op het vorenstaande heeft verweerder er op basis van het TNO-rapport van mogen uitgaan dat realisering van de omlegging van de N201 leidt tot een verbetering van de luchtkwaliteit als bedoeld in artikel 7, derde lid, onder b, van het Besluit luchtkwaliteit 2005. Aldus kon verweerder zijn bevoegdheid om ingevolge artikel 28 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening te beslissen omtrent de goedkeuring van de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)" in afwijking van artikel 7, eerste lid, van het Besluit luchtkwaliteit 2005 uitoefenen.

Nut en noodzaak

2.22.    Enkele appellanten stellen dat met de omlegging geen problemen worden opgelost terwijl het woon- en leefklimaat van de inwoners aan het nieuwe tracé ernstig wordt aangetast. [appellant sub 4] wijst er daarbij op dat de omgelegde N201 geen grotere capaciteit heeft dan de bestaande weg.

Het standpunt van verweerder

2.23.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat met de omlegging van de N201 de regio goed bereikbaar wordt en de leefbaarheid en veiligheid van woongebieden verbetert, terwijl tevens de economische positie van de regio wordt versterkt. Door onder meer de aanleg van ongelijkvloerse kruisingen zal op de weg een goede doorstroming plaatsvinden.

Vaststelling van de feiten

2.24.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.24.1.    De bestaande N201 doorkruist de kernen Aalsmeer, Uithoorn en Amstelhoek en heeft een belangrijke functie voor het doorgaande verkeer en als ontsluitingsweg. In de toekomst wordt het doorgaande verkeer vanaf de rijksweg A4 tot voorbij Amstelhoek omgeleid. De nieuwe weg zal blijkens de beschrijving in hoofdlijnen zoals opgenomen in artikel VI, vierde lid, van de planvoorschriften, worden ingericht als 2x2 stroomweg met een beperkt aantal aansluitingen en zal voldoen aan het concept Duurzaam Veilig.

   Volgens de gemeenteraad blijkt uit het milieueffectrapport dat ten grondslag lag aan het provinciale tracébesluit voor de N201 dat door de nieuwe N201 een aanzienlijke verbetering van de verkeersafwikkeling zal ontstaan.

   Volgens verweerder wordt de capaciteit van het wegennet in totaliteit vergroot en leiden de verlegging buiten de kernen en de inrichting van de weg als stroomweg, grotendeels met ongelijkvloerse kruisingen, tot een betere doorstroming en een betere verkeersafwikkeling.

2.24.2.    Uit het TNO-rapport kan worden afgeleid dat omlegging van de N201 wat betreft stikstofdioxide leidt tot een verbetering ten opzichte van de autonome ontwikkeling van 1 tot 5 microgram per m3 voor 800 hectare en 6543 adressen tegenover een verslechtering voor 1150 hectare en 1313 adressen.

   Wat betreft zwevende deeltjes leidt de omlegging tot een verbetering van 0,5 tot 2 microgram per m3 voor 585 hectare en 3320 adressen tegenover een verslechtering voor 1005 hectare en 767 adressen.

Het oordeel van de Afdeling

2.25.    [appellant sub 4] heeft zijn stelling dat de omlegging niet zal leiden tot een verbetering van de verkeerssituatie slechts onderbouwd met het argument dat de nieuwe weg net als de bestaande weg twee maal twee rijstroken heeft. Daarbij miskent hij dat de nieuwe weg wordt aangelegd om een vlotte doorstroming en verkeersafwikkeling te bevorderen en anders dan de bestaande weg geen kernen meer doorkruist. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de nieuwe weg zal leiden tot verbetering van de verkeerssituatie.

2.26.    Zoals overwogen in 2.21 tot 2.21.1 heeft verweerder in redelijkheid kunnen uitgaan van de uitkomsten van het TNO-rapport. Gelet op dat rapport heeft hij terecht geconcludeerd dat de omlegging van de N201 wat betreft de blootstelling aan luchtverontreinigende stoffen leidt tot een aanzienlijke verbetering van het leefklimaat van de bewoners van de kern van Aalsmeer en het winkelend publiek aldaar, terwijl het leefklimaat op dit punt voor een aanzienlijk kleiner aantal bewoners buiten de kern verslechtert. Overigens hebben appellanten niet betwist dat de leefbaarheid en veiligheid van de woongebieden die thans door de N201 worden doorkruist verbetert. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het plan een zwaarwegend belang is gemoeid en dat de verslechtering van het woon- en leefklimaat in de omgeving van de nieuwe weg opweegt tegen de verbetering die de omlegging met zich brengt in onder meer de kern van Aalsmeer. In zoverre appellanten schade lijden ten gevolge van het plan, heeft verweerder terecht gewezen op de mogelijkheid die artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening biedt een verzoek om schadevergoeding in te dienen.

De Flora- en faunawet

2.27.    [appellant sub 5] en [appellanten sub 6], stellen dat niet vast staat dat de op grond van de Flora- en faunawet benodigde ontheffingen zullen worden verleend. Volgens [appellanten sub 6] voldoen de ecologische onderzoeken nog steeds niet.

Het standpunt van verweerder

2.28.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat voldoende aannemelijk is dat de nog op grond van de Flora- en faunawet benodigde ontheffingen zullen worden verleend.

Vaststelling van de feiten

2.29.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.29.1.    In opdracht van verweerder zijn door adviesbureau Mertens verschillende onderzoeken verricht naar de aanwezigheid van beschermde natuurwaarden in de N201-zone.

2.29.2.    Bij besluit 9 juli 2003 heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit (hierna: LNV) aan verweerder onder voorwaarden ontheffing verleend op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet voor de aanleg en omlegging van de N201.

2.29.3.    In haar uitspraak van 8 oktober 2003, nr. 200206083/1 heeft de Afdeling onder meer overwogen dat niet is gebleken dat de onderzoeken, die ook aan deze ontheffing ten grondslag hebben gelegen, in onderlinge samenhang bezien zodanige gebreken vertonen dat verweerder hier niet van mocht uitgaan.

   In de uitspraak van 30 juni 2004, nr. 200402314/1 heeft de Afdeling onder meer geoordeeld dat verweerder ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Uit te werken verkeersdoeleinden" in het bestemmingsplan "N201-zone" heeft bezien of het plandeel zonder daarbij in strijd te handelen met het bepaalde in de Flora- en faunawet uitvoerbaar is.

2.29.4.    In november 2005 is door genoemd bureau nader onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van specifieke soorten in het gebied van het bestemmingsplan "N201-zone". Uit het onderzoek blijkt dat de Rugstreeppad een algemeen voorkomende soort is in het onderzoeksgebied, waarop de aanleg en omlegging van de N201 naar verwachting een verstorende invloed heeft.

2.29.5.    Het ruimtebeslag van de gronden met de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)" is alleen ter hoogte van de Middenweg iets groter dan de bestemming "Uit te werken verkeersdoeleinden" in het bestemmingsplan "N201-zone". Op 13 december 2005 heeft verweerder de Minister van LNV verzocht om ontheffing op grond van artikel 75 van de Flora- en faunawet, in verband met de aanleg en omlegging van de N201. Deze aanvraag heeft betrekking op meer soorten dan de eerste aanvraag. Op 14 juni 2006 heeft de Minister van LNV ontheffing verleend voor de Rugstreeppad en de Kleine Modderkruiper in verband met de wijziging van de omvang van het tracé. In de ontheffing is vermeld dat voor vleermuizen, de Ringslang, de Meerval en de Rivierdonderpad geen ontheffing is vereist.

2.29.6.    Volgens het deskundigenbericht is er geen reden aan te nemen dat de ecologische onderzoeken niet volledig zijn.

Het oordeel van de Afdeling

2.30.    Gelet op de ontheffingen die de Minister van LNV op 9 juli 2003 en 14 juni 2006 heeft verleend voor de aanleg en omlegging van de N201 heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de Flora- en faunawet niet in de weg staat aan de uitvoerbaarheid van het plan. Mede gelet op het deskundigenbericht en in aanmerking genomen hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 8 oktober 2003, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat aan de ecologische onderzoeken zodanige gebreken kleven dat verweerder zich daarop in redelijkheid niet kon baseren. Voorts is het standpunt van appellanten, dat al de benodigde ontheffingen al ten tijde van het nemen van het bestreden besluit hadden moeten zijn verleend, onjuist.

2.30.1.    Ten aanzien van de ontheffingen die zijn benodigd voor de aanleg van het bedrijventerrein, overweegt de Afdeling dat het voorliggende bestemmingsplan slechts voorziet in wijzigingen en aanvullingen op de bestemming "Uit te werken bedrijfsdoeleinden" in het bestemmingsplan "N201-zone" en niet in de aanleg van een bedrijventerrein zelf. Daarvoor zal eerst de bestemming "Uit te werken bedrijfsdoeleinden" in het bestemmingsplan "N201-zone" moeten worden goedgekeurd. Tegen dat besluit staan als gezegd aparte rechtsmiddelen open. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat de artikelen X-XIII op zichzelf kunnen leiden tot overtreding van de verboden uit de Flora- en faunawet. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder had moeten bezien of de artikelen X-XIII zonder dat daarbij gehandeld wordt in strijd met het bepaalde in de Flora- en faunawet uitvoerbaar zijn.

Geluidhinder

2.31.    [appellant sub 1], [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] stellen dat niet is voldaan aan de Wet geluidhinder. [appellant sub 4] en [appellant sub 5] wijzen er op dat de beslissingen van verweerder op hun bezwaren tegen de vaststelling van de hogere grenswaarden in hoger beroep door de Afdeling zijn vernietigd.

Het standpunt van verweerder

2.32.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat alleen de beslissingen op de bezwaren van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] zijn vernietigd en dat de primaire besluiten nog van kracht zijn, zodat in zoverre aan de Wet geluidhinder is voldaan. Voor de woning van [appellanten sub 3] is de vastgestelde hogere waarde onherroepelijk. Ten aanzien van [appellant sub 1] blijft volgens verweerder de geluidbelasting onder de voorkeursgrenswaarde.

Vaststelling van de feiten

2.33.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.33.1.    Ingevolge artikel 74, eerste lid, van de Wet geluidhinder (hierna: de Wgh) bevindt zich langs een weg bestaande uit drie of vier rijstroken aan weerszijden van de weg in buitenstedelijk gebied een zone van 400 meter.

   Ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Wgh, is de voor woningen binnen een zone ten hoogste toelaatbare geluidbelasting van de gevel, vanwege de weg, 50 dB(A).

   Ingevolge artikel 83, eerste en derde lid sub b, van de Wgh, kunnen gedeputeerde staten, met betrekking tot woningen in het buitenstedelijk gebied die reeds aanwezig of in aanbouw zijn, voor de toekomstige geluidbelasting vanwege een weg die nog niet geprojecteerd is, een hogere grenswaarde vaststellen met dien verstande dat deze waarde 60 dB(A) niet te boven mag gaan.

   Ingevolge artikel 77 van de Wgh dient binnen een zone akoestisch onderzoek te worden verricht naar de geluidbelasting van woningen en andere geluidsgevoelige objecten in de zone.

   Ingevolge artikel 157, eerste lid, van de Wgh dragen gedeputeerde staten ervoor zorg dat, indien Afdeling 2 van hoofdstuk VI, of het krachtens dit onderdeel bepaalde van toepassing is op woningen gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidszones als bedoeld in de artikelen 41, 53, 74, 107 en 108 van deze wet en artikel 25a van de Luchtvaartwet, voldoende aandacht wordt geschonken aan de noodzakelijke onderlinge afstemming en samenhang van de onderscheiden te treffen maatregelen. De voorgaande zin is van overeenkomstige toepassing op woningen ten aanzien waarvan maatregelen in verband met de geluidbelasting getroffen kunnen worden op grond van hoofdstuk 8 van de Wet luchtvaart.

2.33.2.    In opdracht van verweerder heeft DGMR Raadgevend Ingenieurs BV de toekomstige geluidbelasting op de woningen binnen de zone van de omgelegde N201 berekend. Dit heeft geresulteerd in akoestische onderzoeken van 14 februari 2002, 24 maart 2003, aangevuld op 13 augustus 2003, 16 april 2004 en 31 maart 2005, aangevuld op 7 juni 2005.

2.33.3.    Ter hoogte van de woning van [appellant sub 1] aan de [locatie] komt het tracé in een gesloten tunnelbak te liggen. Volgens het akoestisch onderzoek van 16 april 2004 zal de toekomstige geluidbelasting op de gevel van zijn woning ten gevolge van de omgelegde N201 45 dB(A) bedragen.

2.33.4.    Volgens het akoestisch onderzoek van 14 februari 2002 zal de toekomstige geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellanten sub 3] aan de [locatie] ten gevolge van de omgelegde N201 55 dB(A) bedragen. Bij besluit van 6 februari 2002 heeft verweerder voor deze woning een hogere waarde vastgesteld van 55 dB(A). Dit besluit is onherroepelijk.

2.33.5.    De toekomstige geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 4] aan de [locatie] ten gevolge van de omgelegde N201 zal volgens het akoestisch onderzoek van 16 april 2004 51 dB(A) bedragen. Op 16 juni 2004 heeft verweerder voor deze woning een hogere waarde vastgesteld van 51 dB(A).

2.33.6.    De toekomstige geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 5] aan de [locatie a] ten gevolge van de omgelegde N201 zal volgens het akoestisch onderzoek van 24 maart 2003, aangevuld op 13 augustus 2003, 54 dB(A) bedragen. Bij besluit van 13 januari 2004 heeft verweerder voor deze woning een hogere waarde vastgesteld van 54 dB(A).

   De toekomstige geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 5] aan de [locatie b] ten gevolge van de omgelegde N201 zal volgens het akoestisch onderzoek van 24 maart 2003, aangevuld op 13 augustus 2003, 60 dB(A) bedragen. Bij besluit van rechtswege van 22 november 2003 heeft verweerder voor deze woning een hogere waarde vastgesteld van 60 dB(A).

2.33.7.    Bij uitspraak van 7 september 2005, nr. 200406602/1 heeft de Afdeling de beslissing op het bezwaar van [appellant sub 5] tegen het besluit van verweerder van 22 november 2003 vernietigd.

   Bij uitspraak van 4 januari 2006, nr. 200501564/1 heeft de Afdeling de beslissing op het bezwaar van [appellant sub 4] tegen het besluit van verweerder van 16 juni 2004 vernietigd. In beide uitspraken heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"Niet in geschil is dat de woning van appellant in meerdere zones, als bedoeld in artikel 157, eerste lid, van de Wet geluidhinder, is gelegen.

   De Afdeling stelt voorop dat een ministeriële regeling, als bedoeld in artikel 157, derde lid, van de Wet geluidhinder, ontbreekt. Dit laat evenwel onverlet dat verweerder, gelet op artikel 1a van het Besluit, gehouden is bij het vaststellen van hogere waarden de cumulerende geluidsbelastingen te betrekken en te beoordelen of al dan niet sprake is van een onaanvaardbare geluidsbelasting. Naar het oordeel van de Afdeling is een enkele verwijzing naar te verwachten geluidsbelasting vanwege het luchtvaartverkeerslawaai en een algemene beoordeling van de toename van het totaal aantal gehinderden in de omgeving daarvoor onvoldoende. Daarbij overweegt de Afdeling dat niet is gebleken dat de cumulerende geluidsbelastingen voor de gevel van de woning van appellant zijn gemeten en evenmin dat de totale geluidsbelasting vanwege de verschillende geluidsbronnen anderszins op genoegzame wijze is beoordeeld."

Verweerder heeft naar aanleiding van deze uitspraken nog geen nieuwe berekeningen gemaakt en nog niet opnieuw op de bezwaren van [appellant sub 4] en [appellant sub 5] beslist.

2.33.8.    De toekomstige geluidbelasting op de gevel van de woning van [appellant sub 5] aan de [locatie b] ten gevolge van de Legmeerdijk zal volgens het akoestisch onderzoek van 31 maart 2005 63 dB(A) bedragen. Door de cumulatie van het verkeerslawaai tengevolge van de N201 en de Legmeerdijk bedraagt de geluidbelasting van de zuidoostelijke gevel van de woning volgens het akoestisch onderzoek van 31 maart 2005, aangevuld op 7 juni 2005, 67 dB(A).

Het oordeel van de Afdeling

2.34.    In genoemde uitspraken van 7 september 2005 en 4 januari 2006 heeft de Afdeling overwogen dat aan de twee akoestische onderzoeken van 24 maart 2003, aangevuld op 13 augustus 2003, en van 16 april 2004, gebreken kleven en dat op grond van deze onderzoeken niet kan worden beoordeeld of al dan niet sprake is van een onaanvaardbare geluidbelasting van de desbetreffende woningen van [appellant sub 4] en [appellant sub 5]. Hieruit volgt dat dit op grond van deze onderzoeken ook thans in het kader van een goede ruimtelijke ordening niet kan worden beoordeeld. Hetzelfde geldt voor de woning van [appellant sub 1], nu de geluidbelasting op de gevel van zijn woning ook is berekend in het onderzoek van 16 april 2004. Anders dan ter zitting namens de gemeenteraad betoogd, is artikel 157, eerste lid, van de Wgh, niet alleen van toepassing bij het vaststellen van de ten hoogste toelaatbare geluidbelasting, maar bij elk geval waarin afdeling 2 van hoofdstuk VI van de Wgh van toepassing is op woningen gelegen in twee of meer aanwezige of toekomstige geluidzones as genoemd in artikel 157, eerste lid, van de Wgh.

   Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

   De ten hoogst toelaatbare geluidbelasting op de woning van [appellanten sub 3] is niet gebaseerd op de hiervoor genoemde onderzoeken van 24 maart 2003, aangevuld op 13 augustus 2003, of 16 april 2004 en is inmiddels onherroepelijk. Nu appellanten niet aannemelijk hebben gemaakt dat het onderzoek van 14 februari 2002, dat mede hun woning betreft, zodanige gebreken vertoont, dat verweerder zich daarop in redelijkheid niet heeft kunnen baseren, moet er van worden uitgegaan dat de geluidbelasting ten gevolge van de omgelegde N201 op de gevel van de woning van [appellanten sub 3] de waarde van 55 dB(A) niet zal overschrijden.

De ontsluiting van de percelen van [appellant sub 5]

2.35.    [appellant sub 5] stelt dat ten onrechte niet is voorzien in ontsluiting van zijn percelen.

Het standpunt van verweerder

2.36.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat door de onthouding van goedkeuring aan de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)" de ontsluiting voorlopig niet wordt belemmerd en dat in een alternatieve ontsluiting zal worden voorzien door een vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

Vaststelling van de feiten

2.37.    Bij haar oordeelsvorming gaat de Afdeling uit van de volgende als vaststaand aangenomen gegevens.

2.37.1.    Een deel van de gronden van [appellant sub 5] is in het bestemmingsplan bestemd als "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)". Ten gevolge van de verbreding van de Legmeerdijk en de aansluiting op de nieuwe N201 ter hoogte van de gronden van [appellant sub 5] zal de bestaande ontsluiting van zijn percelen verdwijnen. De Legmeerdijk en de kruising zelf maken geen deel uit van het bestemmingsplan, omdat deze zijn gelegen binnen de gemeente Amstelveen.

Het oordeel van de Afdeling

2.38.    In het bestreden besluit heeft verweerder er geen blijk van gegeven dat hij heeft onderkend dat de nieuwe verkeerssituatie na omlegging van de N201 tot gevolg heeft dat de bestaande ontsluiting van de percelen van [appellant sub 5] wordt belemmerd, terwijl nog niet is voorzien in een alternatieve ontsluiting. Dit klemt te meer, nu de Legmeerdijk zich bevindt op het grondgebied van de gemeente Amstelveen, zodat nadrukkelijk behoefte bestaat aan coördinatie van de besluitvorming terzake. Uit het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.

Conclusie ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)"

2.39.    Uit al het vorenstaande volgt dat het bestreden besluit in zoverre dat betrekking heeft op de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)" is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en niet berust op een deugdelijke motivering. Gelet hierop zijn de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 3] en [appellant sub 4] geheel, en de beroepen van [appellant sub 5] en [appellanten sub 6] in zoverre gegrond en dient het bestreden besluit in zoverre wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd. Wat betreft het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)" waaraan verweerder reeds goedkeuring heeft onthouden is rechtens maar één te nemen besluit mogelijk, zodat de Afdeling tevens aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan dat plandeel.

2.39.1.    De overige bezwaren van appellanten ten aanzien van het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)" behoeven geen bespreking.

Proceskostenveroordeling

2.40.    Verweerder dient op na te melden wijze te worden veroordeeld in de proceskosten [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellanten sub 6]. Ten aanzien van [appellant sub 1] en [appellanten sub 3] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken. Ten aanzien van [appellante sub 2] bestaat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep van [appellante sub 2] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellant sub 1], [appellanten sub 3], [appellant sub 4] en [appellant sub 5] geheel en het beroep van [appellanten sub 6], gedeeltelijk gegrond;

III.    vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 23 augustus 2005, kenmerk 2005-10170, voor zover het betreft:

a. de artikelen X-XIII van de planvoorschriften;

b. het woord "niet" in artikel II van de planvoorschriften;

c. het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)";

IV.    onthoudt goedkeuring aan

a. het onder III.b genoemde woord;

b. het plandeel met de bestemming "Verkeersdoeleinden N201 (VN201)" waaraan in het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 23 augustus 2005, kenmerk 2005-10170, reeds goedkeuring was onthouden;

V.    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van dat besluit voor zover het betreft de onderdelen genoemd onder IV.a en IV.b;

VI.    bepaalt dat wat betreft onderdeel IV.a. geen nieuw plan als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening behoeft te worden vastgesteld;

VII.    verklaart het beroep van [appellanten sub 6], voor het overige ongegrond;

VIII.    veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellanten sub 6], in verband met de behandeling van hun beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1932,00 (zegge: negentienhonderdtweeëndertig euro), geheel toe te rekenen aan door derden beroepsmatig verleende rechtsbijstand; de provincie Noord-Holland dient aan [appellant sub 4] en [appellant sub 5] ieder een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro) en aan [appellanten sub 6] , een bedrag van € 322,00 (zegge: driehonderdtweeëntwintig euro) onder vermelding van het zaaknummer te betalen;

IX.    gelast dat de provincie Noord-Holland aan [appellant sub 1], [appellanten sub 3], [appellant sub 4], [appellant sub 5] en [appellanten sub 6], ieder het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 138,00 (zegge: honderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Voorzitter, en mr. M.A.A. Mondt-Schouten en dr. K.J.M. Mortelmans, Leden, in tegenwoordigheid van mr. B.C. Bošnjakovic, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Bošnjakovic

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

410.