Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9870

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200600873/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 juli 2004 heeft de burgemeester van Groningen (hierna: de burgemeester) aan appellant een vergunning verleend voor het exploiteren van een vitrine en een werkruimte in een prostitutie-inrichting aan de [locatie] te Groningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200600873/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Groningen,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/857 en 05/928 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 21 december 2005 in het geding tussen:

appellant

en

de burgemeester van Groningen.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2004 heeft de burgemeester van Groningen (hierna: de burgemeester) aan appellant een vergunning verleend voor het exploiteren van een vitrine en een werkruimte in een prostitutie-inrichting aan de [locatie] te Groningen.

Bij besluit van 23 juni 2005 heeft de burgemeester het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 december 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 30 januari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 28 februari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 24 mei 2006 heeft de burgemeester van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 augustus 2006, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. E. Willems, werkzaam bij de gemeente, is verschenen. Appellant is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 95a, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening 1994 van Groningen (hierna: de APV) is het verboden een prostitutie-inrichting of een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van de burgemeester.

   Ingevolge artikel 95b, eerste lid, aanhef en onder c, van de APV weigert de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 95a, eerste lid, indien de exploitatie in strijd is met de op grond van artikel 95e bij nadere regel gestelde eisen ten aanzien van de inrichting en de bedrijfsvoering.

   Ingevolge artikel 95e van de APV kunnen burgemeester en wethouders met het oog op de in artikel 95b, tweede en derde lid genoemde belangen over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

   In artikel 1, aanhef en onder b, van de door het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 95e van de APV vastgestelde Staat van bestaande prostitutie-inrichtingen met nadere eisen (hierna: de Staat), zoals deze gold ten tijde van belang, is vermeld dat als bestaande prostitutie-inrichting in het Concentratiegebied Centrum Noord-West (Hoekstraat, Muurstraat, Vishoek) kan worden aangemerkt het pand [locatie] met twee vitrines en twee werkruimten.

   In artikel 2, eerste lid, onder a, van de Staat is ten aanzien van hoekpanden vermeld dat de ramen en de toegangsdeur(en) uitsluitend aan de in artikel 1 genoemde concentratiestraten mogen zijn gelegen.

2.2.    De burgemeester heeft appellant een vergunning verleend voor de exploitatie van slechts één vitrine en één werkruimte in de prostitutie-inrichting in het pand aan de [locatie], gelegen op de hoek van de Hoekstraat en de Vierde Drift. Daartoe heeft hij zich op het standpunt gesteld dat in het pand aan de [locatie] ingevolge de Staat weliswaar maximaal twee vitrines en twee werkruimten zijn toegestaan, doch dat in de Staat ten aanzien van hoekpanden is bepaald dat de ramen en toegangsdeuren uitsluitend aan de concentratiestraten mogen zijn gelegen, de Vierde Drift niet als concentratiestraat is aangewezen en daar derhalve geen ramen en toegangsdeuren mogen zijn gelegen. Daarom moet de gevraagde vergunning voor zover betrekking hebbende op de vitrine en de werkruimte aan de Vierde Drift worden geweigerd, aldus de burgemeester.

2.3.    Met de voorzieningenrechter is de Afdeling van oordeel dat, gelet op de op grond van artikel 95e van de APV in artikel 2, eerste lid, onder a, van de Staat bevoegdelijk door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde nadere eis en gelet op de feitelijke inrichting van het pand, het exploiteren van een vitrine en een werkruimte aan de Vierde Drift niet tot de mogelijkheden behoort. De burgemeester diende, gezien het imperatieve karakter van 95b, eerste lid, van de APV, in dit geval de vergunning in zoverre te weigeren. De voorzieningenrechter heeft met juistheid in aanmerking genomen dat het appellant reeds door de Staat van 12 september 2000 duidelijk had kunnen zijn dat de exploitatie vanuit de Vierde Drift niet meer was toegestaan, ongeacht de omstandigheid dat de inrichting van het pand dat wel mogelijk maakte. Voorts heeft de voorzieningenrechter met juistheid overwogen dat uit de omstandigheid dat het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 6 mei 2004 een zogenoemde geschiktheidsverklaring voor het pand heeft afgegeven voor twee vitrines en twee werkruimten, niet de conclusie kan worden getrokken dat het is toegestaan een vitrine en een werkruimte aan de Vierde Drift te hebben. Dit geldt ook voor de verleende bouwvergunning voor het veranderen van het pand. Daarbij wijst de Afdeling er op dat in de geschiktheidsverklaring is vermeld dat het gebruik van het pand als prostitutie-inrichting uitsluitend met een exploitatievergunning is toegestaan en dat in de bouwvergunning staat vermeld dat het verlenen van die vergunning geen goedkeuring geeft van het aantal ramen of werkruimten waarvoor een exploitatievergunning noodzakelijk is.

2.4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Smissen, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek    w.g. Van der Smissen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

419.