Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9868

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200600698/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast het bijgebouw op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) met ingang van 1 mei 2005 uitsluitend te gebruiken ten behoeve van huishoudelijk gebruik, berging of als hobbyruimte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600698/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Schiermonnikoog,

tegen de uitspraak in zaak no. 05/87 van de rechtbank Leeuwarden van 14 december 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 31 augustus 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Schiermonnikoog (hierna: het college) appellant onder oplegging van een dwangsom gelast het bijgebouw op het perceel [locatie] (hierna: het perceel) met ingang van 1 mei 2005 uitsluitend te gebruiken ten behoeve van huishoudelijk gebruik, berging of als hobbyruimte.

Bij besluit van 23 november 2004 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en de grondslag van de last onder dwangsom gewijzigd.

Bij uitspraak van 14 december 2005, verzonden op 15 december 2005, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 24 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 25 januari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 22 maart 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 september 2006, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. H. Harmsma en E. Korendijk, ambtenaren in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Blijkens het aan de last ten grondslag gelegde controlerapport van 20 juli 2004 heeft appellant op enig moment voorafgaande aan die controle het gebruik van het bijgebouw gewijzigd teneinde zijn dochter daarin permanent huisvesting te bieden. Dat de rechtbank, naar appellant betoogt, ten onrechte mede heeft verwezen naar een controlerapport van 9 mei 2001 doet daar niet aan af.  

2.2.    Ingevolge het bestemmingsplan "Kom Schiermonnikoog 1979" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "erf, kategorie II".

   Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, voor zover hier van belang, zijn de aangewezen gronden uitsluitend bestemd voor tuinen met daarbij behorende bijgebouwen, andere bouwwerken en andere werken.

   Ingevolge artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften mogen op de in lid 1 omschreven gronden als bijgebouwen uitsluitend bergingen en hobbyruimten worden opgericht, terwijl uitsluitend op gronden welke grenzen aan een openbare weg welke openstaat voor gemotoriseerd verkeer, tevens het oprichten van garages is toegestaan.

   Ingevolge artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze of tot een doel, strijdig met de in lid 1 omschreven bestemming.

   Ingevolge artikel 7, derde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften wordt onder strijdig gebruik in elk geval verstaan het gebruik van bijgebouwen als zomerhuis of als recreatiewoning.

2.3.    Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het gebruik van het bijgebouw voor permanente bewoning zich niet verdraagt met het gebruiksverbod in de planvoorschriften.

   Dit betoog faalt. Het gebruiksverbod in artikel 7, derde lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften is blijkens de zinsnede "in elk geval" niet beperkt tot recreatieve bewoning. Nu ingevolge de planvoorschriften als bijgebouwen uitsluitend bergingen, hobbyruimten en garages mogen worden opgericht is het gebruik ten behoeve van permanente bewoning niet toegestaan.

2.4.    De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 7, derde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

   Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat handhavend optreden overeenkomstig het handhavingsbeleid van het college in het "Tweede plan van aanpak bijgebouwen" in dit geval onevenredig is, gelet op de woonproblematiek van zijn dochter, het feit dat hij geen financieel voordeel heeft bij de situatie en het ontbreken van klachten van derden.

   Blijkens het primaire besluit is appellant ruim voordat hij zijn dochter daarin huisvestte door het college gewaarschuwd dat tegen strijdig gebruik van bijgebouwen voor bewoning handhavend zal worden opgetreden. Dat de overtreding appellant geen financieel voordeel oplevert en geen aanleiding geeft tot klachten is geen reden om in dit geval van handhaving af te zien, nu deze omstandigheden geacht worden reeds in het handhavingsbeleid te zijn meegewogen. Gelet hierop heeft het college in de door appellant aangevoerde omstandigheden terecht geen aanleiding gezien om niet handhavend op te treden.

2.6.    Appellant betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel ten onrechte heeft verworpen. Op de peildatum van het beleid, te weten 1 januari 1998, was het bijgebouw, in tegenstelling tot de door appellant genoemde gevallen waarin een persoonlijke gedoogverklaring werd afgegeven, nog niet in gebruik ten behoeve van woondoeleinden. Er is, anders dan appellant betoogt, geen grond voor het oordeel dat het vasthouden aan de peildatum in dit geval kennelijk onredelijk is, aangezien de gemeenteraad reeds vóór deze datum met de vaststelling van het Handhavingsplan had aangekondigd het handhavingsbeleid aan te zullen scherpen. Tot slot heeft het college ter zitting deugdelijk gemotiveerd waarom ook de overige gevallen waar appellant, als zijnde gelijke gevallen, een beroep op doet niet op één lijn kunnen worden gesteld met het onderhavige geval.

2.7.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink    w.g.  Boermans

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

429-503.