Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9859

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200601487/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 september 2002 heeft appellant (hierna: het college) het gedeelte van de Smitsweg, gelegen tussen de Zuidendijk en de Reeweg Zuid, gesloten verklaard voor alle motorvoertuigen en een op afstand bedienbare paal doen aanleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2007, 32

Uitspraak

200601487/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Dordrecht,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak no. Awb 05/365 van de rechtbank Middelburg van 11 januari 2006 in het geding tussen:

Stichting Zuidendijk 329/393, gevestigd te Dordrecht

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 september 2002 heeft appellant (hierna: het college) het gedeelte van de Smitsweg, gelegen tussen de Zuidendijk en de Reeweg Zuid, gesloten verklaard voor alle motorvoertuigen en een op afstand bedienbare paal doen aanleggen.

Bij besluiten van 19 oktober 2004 heeft het college de daartegen door [derde belanghebbenden] gemaakte bezwaren gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 18 september 2002 herroepen.

Bij uitspraak van 11 januari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank) het daartegen door de Stichting Zuidendijk 329/393 (hierna: de Stichting Zuidendijk) ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief van 22 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 23 maart 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 april 2006 heeft de Stichting Zuidendijk van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 augustus 2006, waar het college, vertegenwoordigd door E.M. Pronk en A.R. Jonker, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente Dordrecht, en de Stichting Zuidendijk, vertegenwoordigd door [voorzitter] van haar bestuur, en [secretaris] daarvan, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVV 1994) kunnen de krachtens deze wet vastgestelde regels strekken tot:

a. het verzekeren van de veiligheid op de weg;

b. het beschermen van weggebruikers en passagiers;

c. het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan;

d. het zoveel mogelijk waarborgen van de vrijheid van het verkeer.

   Ingevolge artikel 15, eerste lid, geschiedt de plaatsing of verwijdering van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen verkeerstekens en onderborden, voor zover daardoor een gebod of verbod ontstaat of wordt gewijzigd, krachtens een verkeersbesluit.

   Ingevolge het tweede lid geschieden maatregelen op of aan de weg tot wijziging van de inrichting van de weg of tot het aanbrengen of verwijderen van voorzieningen ter regeling van het verkeer krachtens een verkeersbesluit, indien die leiden tot een beperking of uitbreiding van het aantal categorieën weggebruikers dat van een weg of weggedeelte gebruik kan maken.

       Ingevolge artikel 12 van het Besluit administratieve bepalingen inzake het wegverkeer dient plaatsing of verwijdering van het bord C12, zoals opgenomen in bijlage 1, behorende bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, te geschieden krachtens een verkeersbesluit.

   Ingevolge artikel 21 dient de motivering van het verkeersbesluit in ieder geval te vermelden, welke doelstelling of doelstellingen met het verkeersbesluit worden beoogd. Volgens deze bepaling wordt bij de motivering aangegeven welke van de in artikel 2, eerste lid en tweede lid, van de WVW 1994 vermelde belangen ten grondslag liggen aan het verkeersbesluit. Indien tevens andere van de in die laatste bepaling vermelde belangen in het geding zijn, wordt voorts aangegeven, op welke wijze de belangen tegen elkaar zijn afgewogen.

2.2.    De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 19 oktober 2004 in strijd met artikel 7:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is, nu de naar voren gebrachte bezwaren geen betrekking hebben op de verkeersveiligheid van de Zuidendijk en bij de heroverweging de opportuniteit van andere verkeersmaatregelen, dan de afsluiting van de Zuidendijk uit het oogpunt van verkeersveiligheid, niet opnieuw ter beoordeling stond.

2.3.    Het college bestrijdt deze overweging met succes. De afsluiting van de Smitsweg tussen de Zuidendijk en de Reeweg Zuid maakt deel uit van het wijkverkeersplan Wielwijk-Crabbehof-Zuidhoven (hierna: het wijkverkeersplan). Voor de afsluiting is volgens de motivering ervan gekozen om de verkeersveiligheid in zowel de wijk Crabbehof, als de wijk Wielwijk te vergroten. Onder deze omstandigheden stond artikel 7:11, eerste lid, van de Awb er niet aan in de weg dat het college het belang van de verkeersveiligheid bij de heroverweging in bezwaar betrok.

   Voorts is de verkeersveiligheid in bezwaar naar voren gebracht, onder meer in het bezwaarschrift van [twee van de belanghebbenden] van 18 september 2002, waarin is verwezen naar een eerdere brief van 17 september 2001, en tijdens de hoorzitting van 3 december 2003, bij gelegenheid waarvan is gesteld dat afsluiting van de Smitsweg tot een verkeersonveiligere situatie op de Reeweg Zuid leidt.

2.4.    Het college klaagt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in de bezwaarfase uitgevoerde verkeerstellingen en snelheidsmetingen niet tot de in het besluit van 19 oktober 2004 getrokken conclusie leiden dat de verkeersveiligheid ook afdoende met snelheidsremmende maatregelen wordt gediend.

2.4.1.    Deze klacht slaagt evenzeer. Het college heeft bij het nemen van dat besluit in aanmerking mogen nemen dat uit in juni 2003 gehouden verkeerstellingen en snelheidsmetingen kan worden afgeleid dat de verkeersonveilige situatie op de Zuidendijk wordt veroorzaakt door een hoge snelheid in combinatie met relatief veel vrachtverkeer. Op grond van dit onderzoek heeft het college mogen concluderen dat de verkeerssituatie op de Zuidendijk door het nemen van snelheidsremmende maatregelen kan worden verbeterd.

2.5.    Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De Afdeling zal het inleidende beroep behandelen, voor zover dat na het hiervoor overwogene nog behandeling behoeft.

2.6.    De Stichting Zuidendijk heeft in beroep aangevoerd dat het college in zijn heroverweging ten onrechte het uitstel van de afsluiting van de Cornelis Trompweg heeft betrokken. Vanwege de verkeersonveilige situatie op de Zuidendijk zijn de bewoners van de Zuidendijk volgens haar gebaat bij onmiddellijke afsluiting van de Smitsweg. Bovendien stelt het college volgens haar ten onrechte dat de Reeweg Zuid bij afsluiting van de Smitsweg al het verkeer te verwerken zal krijgen dat nu over de Zuidendijk gaat, nu het doel van de afsluiting het voorkomen van sluipverkeer is.

2.6.1.    Dat betoog faalt. Het college heeft aan het in beroep bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de in het wijkverkeersplan voorziene gedeeltelijke afsluiting van de Cornelis Trompweg is uitgesteld en dat daardoor de aanleiding voor de daarmee samenhangende afsluiting van de Smitsweg is komen te vervallen. Gelet op deze, wat betreft het voorkomen van sluipverkeer elkaar ondersteunende, maatregelen, heeft het college het uitstel van de gedeeltelijke afsluiting van de Cornelis Trompweg bij zijn besluit mogen betrekken. Voorts is de stelling van het college dat de afsluiting van de Smitsweg tot gevolg heeft dat al het verkeer over de Reeweg Zuid gaat, waar dit voorheen over de Reeweg Zuid en de Zuidendijk werd verdeeld, voldoende aannemelijk. Het college heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat dit een verslechtering van de verkeerssituatie op de Reeweg Zuid tot gevolg zou hebben, waaraan meer belang moest worden gehecht dan aan de wijziging van de verkeerssituatie op de Zuidendijk. Naar het college onweersproken heeft gesteld, is er weinig sluipverkeer op de Zuidendijk. Het college heeft daar evenwel aan toegevoegd dat, als andere afsluitingen in de wijk zijn gerealiseerd en de Zuidendijk als sluiproute kan gaan fungeren, afsluiting van de Smitsweg weer kan worden overwogen. Gezien het vorenstaande, geeft het in beroep aangevoerde geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten om naar aanleiding van het in bezwaar aangevoerde van de afsluiting van de Smitsweg terug te komen.

2.7.    Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep bij de rechtbank van de Stichting Zuidendijk alsnog ongegrond verklaren.

2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Middelburg van 11 januari 2006 in zaak nr. Awb 05/365;

II.    verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. F.P. Zwart en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb    w.g. De Leeuw-van Zanten

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

97-512.