Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9858

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200601245/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Halderberge (hierna: het college) een verzoek van appellante om een woonwagenstandplaats in de kern Stampersgat te mogen innemen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200601245/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 04/1134 van de rechtbank Breda van 2 januari 2006 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Halderberge.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 27 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Halderberge (hierna: het college) een verzoek van appellante om een woonwagenstandplaats in de kern Stampersgat te mogen innemen afgewezen.

Bij besluit van 13 april 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 januari 2006, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 10 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 7 april 2006 heeft het college van antwoord gediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 augustus 2006, waar appellante in persoon, bijgestaan door mr. M.B. van den Toorn-Volkers, advocaat te Made, en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Timmermans en drs. J.M.W. Zollner, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente Halderberge, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellante betoogt, zakelijk weergegeven, dat de rechtbank, door te overwegen dat op het college niet de verplichting rust om haar een vervangende woonwagenstandplaats toe te wijzen, heeft miskend dat zij op de stellige toezegging van de burgemeester van Halderberge mocht afgaan dat voor haar een standplaats kon worden gerealiseerd.

2.2.    Appellante huurt van de gemeente Halderberge een standplaats op een woonwagencentrum aan de [locatie] te [plaats]. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, voor zover de rechtsverhouding tussen appellante en het college wordt beheerst door de tussen hen gesloten huurovereenkomst, het eventueel aan de civiele rechter is om een oordeel te geven over de verplichtingen die voor de gemeente uit die overeenkomst voortvloeien. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat de bestuursrechter uitsluitend oordeelt over de uitoefening van een bestuursrechtelijke bevoegdheid.

   Het college heeft naar aanleiding van een toezegging van de burgemeester onderzoek doen verrichten door een stedenbouwkundig bureau naar de planologische mogelijkheden om in de kern Stampersgat een solitaire woonwagenstandplaats voor appellante te realiseren. In het kader van dit onderzoek zijn zes locaties onderzocht. De uitkomst van dat onderzoek is ten grondslag gelegd aan het besluit van 27 november 2003, dat blijkens het verhandelde ter zitting in hoger beroep strekt tot weigering om krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling te verlenen van de voor de zes locaties geldende bestemming. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat geen van deze locaties voor het realiseren van de gewenste woonwagenstandplaats geschikt is. Nu deze uitkomst op zichzelf niet is betwist, heeft de rechtbank in het door appellante in beroep aangevoerde terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot het bij de rechtbank bestreden besluit heeft kunnen komen. Anders dan appellante heeft gesteld, is bovendien van een het college bindende toezegging niet gebleken.

2.3.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, Voorzitter en mr. R.W. Loeb en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.C. van Tuyll van Serooskerken, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak    w.g. Van Tuyll van Serooskerken

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

290.