Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9851

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200601499/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 januari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 13 januari 2006 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.4
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JM 2007/10 met annotatie van Bokelaar
M en R 2006, 62K
Milieurecht Totaal 2006/4451
Omgevingsvergunning in de praktijk 2006/3434

Uitspraak

200601499/1.

Datum uitspraak: 11 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2006 heeft verweerder aan [vergunninghoudster] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een varkenshouderij aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 13 januari 2006 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 22 februari 2006, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag per telefax, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 maart 2006.

Bij brief van 25 april 2006 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 september 2006, waar appellanten vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en verweerder, vertegenwoordigd door T.S.A.J. van der Pluijm, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord.

2.    Overwegingen

2.1.    Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb en de Aanpassingswet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat de bij deze wetten doorgevoerde wetswijzigingen niet van toepassing zijn op het huidige geding.

2.2.    Het beroep, voor zover ingesteld door [twee van de appellanten] is ter zitting ingetrokken.

2.3.    Verweerder heeft gesteld dat het beroep van appellanten niet-ontvankelijk is voor zover het milieueffectrapportage, de volledigheid van de aanvraag, strijd met de Richtlijn 96/61 van de Raad van de Europese Unie van 24 september 1996 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (hierna: de IPPC-richtlijn) en geluidhinder betreft.

   Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, (oud) van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a.    degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b.    de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c.    degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d.    belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

   De [zeven appellanten], hebben de grond inzake fijn stof niet als bedenking tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Voorts hebben appellanten de gronden inzake milieueffectrapportage, de volledigheid van de aanvraag en geluidhinder niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan voormelde appellanten redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep in zoverre niet-ontvankelijk is. De Afdeling stelt vast dat het beroep wel kan worden ontvangen voor zover het de gronden over de IPPC-richtlijn betreft, nu appellanten in hun bedenkingengeschriften hebben betoogd dat de stalsystemen niet zijn uitgevoerd volgens de beste beschikbare technieken.

2.4.    De bij het bestreden besluit verleende vergunning heeft betrekking op het houden van 4.912 vleesvarkens. Deze dieren zullen worden gehuisvest in een nieuwe stal (D) en in drie bestaande stallen (B, C1 en C2).

2.5.    Appellanten hebben betoogd dat verweerder ten onrechte slechts heeft getoetst of de nieuw te realiseren stal D is uitgevoerd conform de beste beschikbare technieken. Zij menen dat verweerder deze toets ook had moeten uitvoeren ten aanzien van de bestaande stallen B, C1 en C2.

2.5.1.    Verweerder meent dat niet behoeft te worden beoordeeld of de bestaande stallen zijn uitgevoerd conform de beste beschikbare technieken omdat deze stallen als bestaande installaties in de zin van de IPPC-richtlijn moeten worden beschouwd.

2.5.2.    Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

   Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

   Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.5.3.    De Afdeling stelt vast dat verweerder niet heeft onderzocht of in de stallen B, C1 en C2 de beste beschikbare technieken worden toegepast. Daargelaten het antwoord op de vraag of de stallen in de inrichting gezamenlijk één installatie in de zin van de IPPC-richtlijn vormen, had verweerder, anders dan hij veronderstelt en gezien artikel 8.11, derde lid, tweede volzin, van de Wet milieubeheer, ook voor de bestaande vleesvarkensstallen moeten onderzoeken of hierin de beste beschikbare technieken worden toegepast. Nu verweerder dit heeft nagelaten heeft hij in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis vergaard omtrent de relevante feiten.

2.6.    Het beroep is, voor zover ontvankelijk, gegrond. Het bestreden besluit dient in zijn geheel te worden vernietigd. De Afdeling laat de overige beroepsgronden buiten bespreking.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het de gronden inzake milieueffectrapportage, de volledigheid van de aanvraag en geluidhinder betreft;

II.    verklaart het beroep van [zeven appellanten] niet-ontvankelijk voor zover het de grond inzake fijn stof betreft;

III.    verklaart het beroep voor het overige gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen van 3 januari 2006, kenmerk RE.944.05;

V.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Drimmelen tot vergoeding van bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 663,87 (zegge: zeshonderddrieënzestig euro en zevenentachtig cent), waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Drimmelen aan appellanten onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI.    gelast dat de gemeente Drimmelen aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. M.W.L. Simons-Vinckx, Leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Van Hardeveld

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2006

312.