Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9842

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-10-2006
Datum publicatie
11-10-2006
Zaaknummer
200606671/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 september 2006 heeft de Kiesraad, te dezen handelend als het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal, een verzoek om registratie van de aanduiding 'Ministerie van EGT Zaken' voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200606671/1.

Datum uitspraak: 2 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 4 september 2006 heeft de Kiesraad, te dezen handelend als het centraal stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten Generaal, een verzoek om registratie van de aanduiding 'Ministerie van EGT Zaken' voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 september 2006, beroep ingesteld.

Bij brief van 15 september 2006 heeft het centraal stembureau stukken ingediend.

Bij brief van 19 september 2006 heeft het centraal stembureau een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 19 en 21 september 2006 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Bij brief van 20 september 2006 heeft het centraal stembureau een stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2006, waar het centraal stembureau, vertegenwoordigd door zijn secretaris mr. J. Schipper-Spanninga en drs. P.J. Young, medewerker van de Kiesraad is verschenen. Appellant is niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel G 5, eerste lid, van de Kieswet, voor zover hier van belang, kan een belanghebbende tegen een beschikking als bedoeld in artikel G 1, als hier aan de orde, beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

   Ingevolge artikel 8:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wijst de griffier de indiener van het beroepschrift op de verschuldigdheid van het griffierecht en deelt hem mee dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken na de dag van verzending van zijn mededeling dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de rechtbank dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Indien het bedrag niet binnen deze termijn is bijgeschreven of gestort, wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

   Ingevolge artikel G 5, derde lid, van de Kieswet is artikel D 9, tweede tot en met vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

   Ingevolge artikel D 9, derde lid, van de Kieswet bedraagt de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden, in afwijking van artikel 8:41, tweede lid, van de Awb, twee weken. De voorzitter van de Afdeling kan een kortere termijn stellen.

2.2.    Appellant is voor het door hem ingestelde beroep € 141,00 aan griffierecht verschuldigd. Appellant is bij aangetekende brief van 13 september 2006, die tevens per gewone post is verzonden, op de verschuldigdheid van het griffierecht gewezen. Daarbij is aan hem meegedeeld dat het verschuldigde griffierecht voor de zitting contant dient te worden betaald. Tevens is vermeld dat, indien het verschuldigde bedrag niet vooraf aan de zitting is voldaan, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.

   Het bedrag is niet binnen de aldus gestelde termijn contant op het adres van de Raad van State betaald en evenmin op de rekening van de Raad van State bijgeschreven. Niet is gebleken van feiten of omstandigheden, op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant in verzuim is geweest.

2.3.    Het beroep is niet-ontvankelijk.

2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump    w.g.  Dallinga

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2006

18-362.