Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9422

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-09-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
200603253/2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

toepassing van artikel 8:15 van de Awb.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:15
Algemene wet bestuursrecht 8:16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2006/316
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200603253/2.

Datum beslissing: 26 september 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Proces-verbaal van de mondelinge beslissing met overeenkomstige toepassing van artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op een verzoek van:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid "Politieke Vereniging Nederland Transparant", gevestigd te Rotterdam,

verzoekster,

Procesverloop

om toepassing van artikel 8:15 van de Awb.

Bij brief van 19 september 2006, bij de Raad van State ingekomen per fax op dezelfde dag, heeft verzoekster verzocht om wraking van mr. M. Vlasblom, mr. P.A. Offers en mr. W.D.M. van Diepenbeek (hierna: de staatsraden), Voorzitter respectievelijk Leden van de meervoudige Kamer belast met de behandeling van de zaak no. 200603253/1 tussen verzoekster en de Referendum Commissie, waarvan het onderzoek ter zitting is gesloten op 12 september 2006.

De staatsraden hebben niet in de wraking berust.

De Afdeling heeft het wrakingsverzoek ter openbare zitting behandeld op 26 september 2006, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. drs. A.C.M. Brom, secretaris, is gehoord. De staatsraden hebben van de gelegenheid om te worden gehoord geen gebruik gemaakt.

Bij mondelinge beslissing van 26 september 2006 heeft de Afdeling het verzoek om toepassing van artikel 8:15 van de Awb afgewezen.

Daartoe heeft zij het volgende overwogen.

Ingevolge artikel 8:15 van de Awb kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Ingevolge artikel 8:16, eerste lid, van de Awb wordt het verzoek gedaan zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden.

Ingevolge artikel 39 van de Wet op de Raad van State zijn deze artikelen van overeenkomstige toepassing indien bij de Afdeling hoger beroep wordt ingesteld.

Het verzoek om wraking berust op de in de brief van 19 september 2006 aangedragen gronden. Verzoekster heeft betoogd dat de staatsraden de schijn van partijdigheid hebben gewekt door op de zitting van 12 september 2006 geen antwoord te geven op haar vraag of zij al dan niet lid zijn van één van de door haar genoemde politieke partijen. Volgens verzoekster heeft de Voorzitter van de meervoudige Kamer wel medegedeeld dat meerdere Leden van de Afdeling (vermoedelijk) lid zijn van een politieke partij en haar voor informatie over de nevenfuncties van de staatsraden verwezen naar de website van de Raad van State.

De Afdeling heeft vastgesteld dat verzoekster blijkens haar wrakingsverzoek en de daarop ter zitting gegeven toelichting de website van de Raad van State op 19 september 2006 heeft bestudeerd en toen heeft geconstateerd dat in het overzicht van nevenfuncties informatie over een eventueel lidmaatschap van een politieke partij ontbreekt. Hoewel aan verzoekster reeds op de zitting van 12 september 2006 kenbaar is gemaakt dat het mogelijk is dat de staatsraden lid zijn van een politieke partij en hoewel zij voorts is gewezen op de mogelijkheid ter verkrijging van nadere informatie over de nevenfuncties van de staatsraden de website van de Raad van State te raadplegen, heeft zij dat eerst een week nadat het onderzoek ter zitting op 12 september 2006 was gesloten, gedaan. Door te wachten tot 19 september 2006 met het zich er van te vergewissen of de informatie die op de door de Voorzitter van de meervoudige Kamer genoemde website is vermeld, de bij haar reeds ter zitting van 12 september 2006 bestaande twijfel over de schijn van partijdigheid van de staatsraden zou wegnemen, heeft verzoekster naar het oordeel van de Afdeling niet de vereiste spoed betracht. Aldus is niet voldaan aan artikel 8:16, eerste lid, van de Awb, met welke bepaling wordt beoogd te voorkomen dat door de indiening van een verzoek om wraking de goede voortgang van de procedure onredelijk wordt vertraagd.

De gestelde drukke werkzaamheden van haar secretaris heeft de Afdeling onvoldoende geacht voor het oordeel dat verzoekster de website van de Raad van State niet eerder heeft kunnen raadplegen en het wrakingsverzoek niet eerder heeft kunnen indienen. De Afdeling heeft het verzoek om wraking dan ook afgewezen, reeds omdat dit niet in een zo vroeg mogelijk stadium is ingediend. Een beoordeling van de gronden die door verzoekster zijn aangedragen, kan derhalve achterwege blijven.

Aldus uitgesproken in het openbaar door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.T.T. van der Heijde, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen  w.g. Van der Heijde

Voorzitter    ambtenaar van Staat

349.