Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9416

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
200600510/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dantumadeel (hierna: het college) geweigerd aan appellante vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, en bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van vier woningen op het perceel kadastraal bekend gemeente Akkerwoude, sectie M, nummer 2215, plaatselijk bekend als een perceel grond aan de Vrijstad te Damwoude (hierna: de woningen).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600510/1.

Datum uitspraak: 4 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], statutair gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak in zaak no. 05/46 van de rechtbank Leeuwarden van

6 december 2005 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dantumadeel.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Dantumadeel (hierna: het college) geweigerd aan appellante vrijstelling, als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, en bouwvergunning te verlenen voor het realiseren van vier woningen op het perceel kadastraal bekend gemeente Akkerwoude, sectie M, nummer 2215, plaatselijk bekend als een perceel grond aan de Vrijstad te Damwoude (hierna: de woningen).

Bij besluit van 21 december 2004 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 december 2005, verzonden op die dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij schrijven van 15 februari 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 14 maart 2006 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 augustus 2006, waar appellante, vertegenwoordigd door drs. J. Takkebos, is verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Vast staat dat de in het primaire besluit van 18 juni 2004 en de beslissing op bezwaar opgenomen kadastrale aanduiding van het bouwperceel als een kennelijke verschrijving moet worden aangemerkt en dat er bij de beoordeling vanuit moet worden gegaan dat het gaat om percelen met de kadastrale aanduiding, gemeente Akkerwoude, sectie M, nummers 2668 en 2669. Het perceel met nummer 2215 is gesplitst in de nummers 2668 en 2669 en er is nog uitgegaan van de oude situatie.

2.2.    Ook staat vast dat het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Buitengebied 1998 met deelplannen" (hierna: het bestemmingsplan) de oprichting van de vier woningen niet toestaat.

2.3.    In de notitie "Invulling open gaten", vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Dantumadeel van 30 september 2003, heeft de raad zijn beleid met betrekking tot aanvragen voor het wijzigen van het bestemmingsplan ten behoeve van woningbouw neergelegd. Hierin is uitgewerkt onder welke omstandigheden medewerking wordt verleend aan de invulling van een "open gat" met woningbouw. In de beleidsnotitie is als definitie van "open gat" opgenomen: elke onbebouwde ruimte binnen de bebouwde kom en gelegen tussen twee woningen, niet zijnde bedrijfs- of dienstwoningen. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is in de beleidsnotitie een aantal voorwaarden verbonden aan de invulling van open gaten, waaronder het sluitend maken van een gevelrij. Daarvan is sprake indien een gevelrij door middel van het toevoegen van maximaal vier vrijstaande woningen op een onbebouwde ruimte gelegen tussen twee op redelijke korte afstand van elkaar gelegen woningen sluitend wordt gemaakt. Daarbij dient sprake te zijn van een duidelijke, visuele aansluiting bij de naastgelegen woningen. De breedte van het in te vullen open gat dient minimaal een afstand van 25 meter te bedragen tussen de bouwvlakken van de naastgelegen hoofdwoongebouwen en maximaal een afstand van 105 meter.

2.4.    Appellante heeft in hoger beroep betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat het bouwplan voldoet aan de in de notitie "Invulling open gaten" gestelde voorwaarde dat de afstand tussen de bouwvlakken van de naastgelegen woningen minimaal 25 meter en maximaal 105 meter moet bedragen. De Afdeling is echter van oordeel dat het college gelet op de situering van het bouwplan en de plaatselijke situatie terecht de ruimte tussen de woning aan de Vrijstad 23 en de Meester Klokweg 35 als "open gat" in de zin van de beleidsnotitie heeft aangemerkt. Het betoog van appellante dat de ruimte tussen de Vrijstad 23 en de Vrijstad 1 als "open gat" dient te worden aangemerkt en dat daarmee binnen de grenzen van het afstandscriterium wordt gebleven, kan dan ook niet slagen.

De woning aan de Vrijstad 1 kan - gelet op de situering ver achter de weg - niet als meetpunt gelden en indien daarvan wel zou worden uitgegaan kan geen sprake zijn van het sluitend maken van een gevelrij in de zin van de beleidsnotitie. De woningen aan de Vrijstad 23 en de Meester Klokweg 35 zijn wel beide op korte afstand aan dezelfde weg (Vrijstad) gelegen. De afstand tussen de bouwvlakken van deze woningen is ongeveer 118 meter.  Reeds gelet hierop dient met de rechtbank te worden geoordeeld dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplan en kan hetgeen appellante verder heeft betoogd onbesproken blijven.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Angeren    w.g. Ouwehand

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2006

224.