Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9412

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
200600218/1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een woning en berging en het plaatsen van een carport op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2007, 31 met annotatie van L.J.M. Timmermans
Module Ruimtelijke ordening 2006/2681
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200600218/1.

Datum uitspraak: 4 oktober 2006

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/694 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 november 2005 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernheze.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een woning en berging en het plaatsen van een carport op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 1 maart 2005 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 november 2005, verzonden op 30 november 2005, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 6 januari 2006, bij de Raad van State ingekomen op 9 januari 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 3 februari 2006 heeft [partij] een reactie ingediend.

Bij brief van 13 februari 2006 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellant. Dit is aan de andere partijen toegezonden.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 augustus 2006, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.W. Kranenburg, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Voorts is [partij], bijgestaan door mr. C.C.J. Aerts, advocaat te Schijndel, daar als partij gehoord. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem (bewust) heeft misleid door in de publicatie van het voornemen tot het verlenen van vrijstelling en bouwvergunning slechts te melden dat de aanvraag betrekking heeft op het "bouwen van een carport", terwijl het "uitbreiden van een woning en berging en het plaatsen van een carport" is aangevraagd.

2.1.1.    Deze grond heeft appellant als zodanig niet in beroep naar voren gebracht. Aangezien het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, er geen reden is waarom deze grond niet reeds bij de rechtbank kon worden aangevoerd en appellant zulks uit een oogpunt van een zorgvuldig en doelmatig gebruik van rechtsmiddelen en omwille van de rechtszekerheid van de andere partijen omtrent hetgeen in geschil is, had behoren te doen, dient deze grond buiten beschouwing te blijven.

2.2.    Appellant betoogt voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het college willekeurig en onrechtvaardig heeft gehandeld door pas een beslissing op bezwaar te nemen nadat hij met het oog op het bouwplan nieuwe beleidsregels had vastgesteld, terwijl het bouwplan onder de oude beleidsregels behoorde te worden geweigerd.

2.2.1.    Bij besluit van 11 januari 2005 heeft het college de Beleidsregels "Vrijstelling, artikel 19, lid 3 WRO" (hierna: de beleidsregels) vastgesteld, op grond waarvan met toepassing van dat artikel vrijstelling voor het onderhavige bouwplan kon worden verleend. De beleidsregels, voor zover hier van belang, zijn sinds 11 mei 2004 toegepast bij aanvragen om bouwvergunning.

2.2.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat getoetst moet worden aan het recht zoals dat geldt op het moment van de beslissing op bezwaar. Voor het oordeel dat het college desondanks niet met toepassing van de beleidsregels vrijstelling heeft mogen verlenen omdat de beleidsregels eerst tussen het nemen van het besluit in primo en het nemen van de beslissing op bezwaar zijn vastgesteld, is rechtens geen grond.

   Evenmin is gebleken dat het college, heeft getalmd met het nemen van een beslissing op bezwaar. Het college heeft de beslissing op het bezwaar van appellant binnen de in artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), gelezen in samenhang met artikel 7:13 van de Awb, gestelde termijn genomen.

   Het betoog faalt.

2.3.    Appellant betoogt tevens dat de rechtbank heeft miskend dat de welstandscommissie "Welstandszorg Noord-Brabant" (hierna: de welstandscommissie) niet op juiste wijze heeft beoordeeld of het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand, omdat het geen rekening heeft gehouden met de op 1 juli 2004 in werking getreden Welstandsnota van de gemeente Bernheze (hierna: de welstandsnota).

2.3.1.    De welstandscommissie heeft in haar advies van 22 juni 2004 vermeld dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Daarbij heeft zij, mede gelet op de aan haar opgedragen taak om te adviseren of het uiterlijk of plaatsing van de woning na voltooiing van het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand, terecht geen aanleiding gezien om vanwege de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan een negatief welstandsadvies uit te brengen.

   De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de inwerkingtreding van de welstandsnota er niet toe leidt dat het college zijn oordeel over de welstand van de woning niet heeft mogen baseren op het advies van de welstandscommissie. Niet valt immers in te zien dat de welstandsnota gevolgen heeft voor dat advies. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat het feit dat, naar appellant stelt, het bouwplan niet aan de zogenoemde sneltoetscriteria van de welstandsnota voldoet, niet betekent dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen welstand, doch slechts dat een bouwplan alsnog aan de welstandscommissie wordt voorgelegd. Het bouwplan is - in overeenstemming met deze welstandsnota - aan de welstandscommissie voorgelegd.

   Gelet op het voorgaande, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college zich niet met verwijzing naar het advies van de welstandscommissie, op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Het betoog faalt.

2.4.    Het betoog van appellant dat het college naar aanleiding van zijn klacht op 14 januari 2004 de bouw van de carport stil had moeten leggen, kan in deze procedure niet aan de orde komen nu dit geding slechts betrekking heeft op het besluit van 26 november 2004, waarbij vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan is verleend.

2.5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D. Roemers, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.W. Huijben, ambtenaar van Staat.

w.g. Roemers    w.g. Huijben

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2006

313-499.