Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2006:AY9403

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
04-10-2006
Zaaknummer
200602567/1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 14 juni 2005 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen door [wederpartij sub 1] voor de categorie voertuigen tot en met 3.500 kg ingetrokken voor de duur van 12 weken en de keuringsbevoegdheid van [wederpartij sub 2] voor dezelfde categorie voertuigen ingetrokken voor de duur van 9 weken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200602567/1.

Datum uitspraak: 4 oktober 2006.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer,

appellant,

tegen de uitspraak in zaak nos. AWB 05/1096, AWB 05/1185, AWB 05/1299 en AWB 05/1300 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen van 17 maart 2006 in het geding tussen:

1.    [wederpartij sub 1], gevestigd te [plaats],

2.    [wederpartij sub 2], wonend te [woonplaats]

en

appellant.

1.    Procesverloop

Bij besluiten van 14 juni 2005 heeft de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer (hierna: de RDW) de erkenning voor het uitvoeren van periodieke keuringen door [wederpartij sub 1] voor de categorie voertuigen tot en met 3.500 kg ingetrokken voor de duur van 12 weken en de keuringsbevoegdheid van [wederpartij sub 2] voor dezelfde categorie voertuigen ingetrokken voor de duur van 9 weken.

Bij besluiten van 9 augustus 2005 heeft de RDW het daartegen door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De behandeling van de zaken ter zitting bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen (hierna: de voorzieningenrechter) op 26 oktober 2005 is geschorst teneinde de RDW nader onderzoek te laten uitvoeren.

Bij faxbericht van 24 november 2005 zijn de besluiten van 9 augustus 2005 ingetrokken.

Bij besluiten van 9 december 2005 heeft de RDW het tegen de besluiten van 14 juni 2005 door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] gemaakte bezwaar alsnog gegrond verklaard ten aanzien van de zwaarte van de opgelegde maatregelen en voor het overige ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 maart 2006, verzonden op 21 maart 2006, heeft de voorzieningenrechter, voor zover thans van belang, de daartegen door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] ingestelde beroepen gegrond verklaard en de bestreden beslissingen op bezwaar vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de RDW bij brief van 4 april 2006, bij de Raad van State ingekomen op 5 april 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 april 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 16 mei 2006 hebben [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 juli 2006, waar de RDW, vertegenwoordigd door mr. R. Bal, werkzaam bij de RDW, en [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2], in persoon, bijgestaan door J.A.C.H. van Meekeren, werkzaam bij Mediation Mentor, en A.L. Korteweg en P. Schortinghuis, zijn verschenen.

2    Overwegingen

2.1.    Ingevolge artikel 87, tweede lid, onder f, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW) kan de Dienst Wegverkeer een erkenning intrekken of wijzigen indien degene aan wie de erkenning is verleend, handelt in strijd met een of meer andere uit de erkenning voortvloeiende verplichtingen.

   Ingevolge artikel 87a, tweede lid, onder c, van de WVW kan de Dienst Wegverkeer de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen intrekken of de daaraan verbonden voorschriften wijzigen, indien degene aan wie die bevoegdheid is verleend, handelt in strijd met een of meer andere uit de bevoegdheid voertuigen aan een keuring te onderwerpen voortvloeiende verplichtingen.

Deze verplichtingen zijn nader uitgewerkt in de Erkenningsregeling APK.

   Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Erkenningsregeling APK, voor zover thans van belang, is in de keuringsruimte een doelmatige inspectieput of hefinrichting aanwezig die geschikt is voor de groep voertuigen waarvoor de erkenning voor de betrokken keuringsplaats wordt aangevraagd en die is voorzien van een doelmatige verlichting.

   Ingevolge artikel 4, derde lid, van de Erkenningsregeling APK kan de in het eerste lid bedoelde hefinrichting ten minste vier wielen van het voertuig ondersteunen. Een met steunpoten gecombineerde hefinrichting voldoet niet aan deze eis.

   Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Erkenningsregeling APK gelden, indien het voertuig blijkens mededeling van de Dienst Wegverkeer aan een steekproef wordt onderworpen, de in het tweede tot en met zesde lid genoemde verplichtingen.

   Ingevolge artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder e, van de Erkenningsregeling APK wordt aan een steekproef alle medewerking verleend en worden de ter zake door de Dienst Wegverkeer gegeven aanwijzingen in acht genomen. Onder alle medewerking wordt in ieder geval verstaan dat de desbetreffende ruimte en apparatuur gedurende de steekproef beschikbaar worden gesteld.

2.2.    De RDW heeft de intrekking van de keuringsbevoegdheid en van de erkenning gebaseerd op artikel 45, vijfde lid, aanhef en onder e, gelezen in samenhang met artikel 4, derde lid, van de Erkenningsregeling APK. De RDW heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat onvoldoende medewerking is verleend aan een steekproef door [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2], omdat een vierkolomshefbrug niet beschikbaar is gesteld.

2.3.    Niet in geschil is dat de in het garagebedrijf van [wederpartij sub 2] aanwezige vierkolomshefbrug als bedoeld in artikel 4, derde lid, van de Erkenningsregeling ten tijde van de op 19 mei 2005 gehouden steekproef niet tijdig beschikbaar kon worden gesteld en dat een tweekolomshefbrug wel beschikbaar was.

   Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting in eerste aanleg heeft de voorzieningenrechter het aannemelijk geacht dat in de uitvoeringspraktijk van de RDW wel werd afgeweken van de geldende regelgeving in die zin dat wel gebruik werd gemaakt van de tweekolomshefbrug indien de vierkolomshefbrug niet beschikbaar was.

   Het hoger beroep is gericht tegen de hieruit getrokken conclusie van de voorzieningenrechter dat van een heldere, voorspelbare uitvoeringspraktijk op dit punt geen sprake was en dat de RDW onder deze omstandigheden van zijn bevoegdheid maatregelen op te leggen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken.

2.4.    Volgens de RDW heeft de voorzieningenrechter miskend dat de door de RDW gehoorde steekproefcontroleurs hebben verklaard dat het accepteren van de tweekolomshefbrug niet de reguliere werkwijze was en dat dit alleen werd toegestaan onder bepaalde condities, zoals de voorwaarde dat het voertuig er geschikt voor moest zijn.

   Nog afgezien van het feit dat in dit geval niet is gebleken dat het voertuig niet geschikt was voor een steekproefcontrole op een tweekolomshefbrug, stelt de Afdeling vast dat vier van de vijf door [wederpartij sub 2] genoemde steekproefcontroleurs, die in het verleden afwijkingen van de regeling zouden hebben toegestaan, door de RDW zijn gehoord en dat zij ieder voor zich hebben verklaard in het verleden een steekproefherkeuring op een tweekolomshefbrug wel te hebben geaccepteerd. Uit hun verklaringen kan niet worden afgeleid dat er bepaalde condities, zoals de geschiktheid van het voertuig, golden, waaronder bij wijze van uitzondering werd of kon worden afgeweken van de verplichting een vierkolomshefbrug beschikbaar te hebben en een tweekolomshefbrug werd of kon worden aanvaard. Zo terzake al door de controleurs bepaalde uitgangspunten werden gehanteerd, waren deze niet kenbaar. De RDW heeft zelf in de bij de rechtbank bestreden besluiten op bezwaar ook uitdrukkelijk overwogen dat de grief van [wederpartij sub 2] dat het voor hem erg onduidelijk was geworden hoe hij zich moest gedragen gelet op de officiële regelgeving en de afwijkende dagelijkse praktijk, doelt treft.

2.5.    Met betrekking tot de stelling van de RDW dat het gebruik van de tweekolomshefbrug al geruime tijd niet meer werd geaccepteerd, overweegt de Afdeling dat uit de verklaringen van de door de RDW gehoorde steekproefcontroleurs kan worden afgeleid dat in elk geval nog tot eind 2004 van de regel is afgeweken. Ter zitting in hoger beroep is door [wederpartij sub 2] naar voren gebracht dat het in ieder geval sinds 1990 in de regio Oost-Groningen door de steekproefcontroleurs werd toegestaan de tweekolomshefbrug te gebruiken, indien de vierkolomshefbrug bezet was. Bij [wederpartij sub 1] zou het sinds 2001 zes à zeven maal zijn geaccepteerd dat de tweekolomshefbrug werd gebruikt omdat de vierkolomshefbrug niet beschikbaar was, laatstelijk nog in februari 2005. Daarbij is door de steekproefcontroleur niet aangegeven dat dit de laatste keer zou zijn. Naar de Afdeling vaststelt, is de bij de in februari 2005 bij de steekproef betrokken controleur door de RDW niet gehoord, omdat hij inmiddels niet meer bij de RDW werkzaam is. Voorts is niet gebleken dat aan de garagehouders in deze regio op enig moment mededeling is gedaan van het feit dat in het vervolg aan de Regeling op dit punt strikt zou worden vastgehouden.

2.6.    Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep heeft de RDW niet aannemelijk kunnen maken dat het in de regio Oost-Groningen slechts bij hoge uitzondering en onder strikte en duidelijke voorwaarden was toegestaan dat een tweekolomshefbrug ter beschikking werd gesteld bij de uitvoering van een steekproef, omdat de vierkolomshefbrug niet beschikbaar was. Hieruit volgt dat de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen dat van een heldere, voorspelbare uitvoeringspraktijk geen sprake was.

2.7.    Nu in de uitvoeringspraktijk in de regio Oost-Groningen wel genoegen werd genomen met een tweekolomshefbrug, indien een vierkolomshefbrug wel aanwezig, maar niet tijdig beschikbaar was, kan, anders dan de RDW heeft betoogd, niet met succes worden gesteld dat in dit geval het algemeen belang van de verkeersveiligheid het opleggen van de onderhavige maatregelen rechtvaardigde.

   De voorzieningenrechter heeft dan ook terecht overwogen dat de RDW onder deze omstandigheden niet in redelijkheid tot het opleggen van de maatregelen heeft kunnen overgaan.

2.8.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9.    De RDW dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de Algemeen Directeur van de Dienst Wegverkeer tot vergoeding van bij [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de Dienst Wegverkeer aan [wederpartij sub 1] en [wederpartij sub 2] onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Klein

Lid van de enkelvoudige kamer    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2006.

176-440.